Literatuur
De volgende artikelen van Adriaan Fokker zijn in het online archief te vinden:
- Het muzikale toonstelsel van Christiaan Huygens, de normale diëzenstemming, 1942
- Les Mathématiques et la musique, 1947
- Expériences musicales avec les genres musicaux de Leonhard Euler contenant la septième harmonique, met composities, 1949 (Adriaan Fokker met Jan van Dijk)
- Over de bouw van het 31-toonsorgel
- Just intonation and the combination of harmonic diatonic melodic groups, 1949
- De behoefte aan grotere nauwkeurigheid in de muzikale notatie der toonhoogte, 1953
- Equal Temperament and the Thirty-one-keyed Organ, 1955
- Optelakkoorden, 1960
- Oor en Stem. Bundel solfège-oefeningen met harmonischen aan de nagedachtenis van Willem Pijper en Martinus Lürsen, 1963
- Met verjongde oren, 1964
- Simon Stevin’s views on music, 1966
- On the Expansion of the Musician’s Realm of Harmony, 1967
- Unison vectors and periodicity blocks in the three-dimensional (3-5-7) harmonic lattice of notes, 1969
- De middentoonstemming gedemonstreerd, 1949
- New Music with 31 Notes, 1966. Engelse vertaling van Leigh Gerdine, 1975
- Equal temperament with 31 notes (Organ Institute Quarterly Autumn 1955, Vol 5 Iss 4)
- Radio-uitzending Euler-orgel (audio), lezing met muzikale voorbeelden (Adriaan Fokker en Martin Lürsen – Haarlem, Nov. 1945 – 30 min. / 28 MB)
- Unesco-lezing over het 31-toonsysteem (in Frans), 1958 (MP3, 5 MB)
Adriaan Daniël Fokker (1887-1972)
Adriaan Daniël Fokker werd op 17 augustus 1887 geboren in Buitenzorg (Bogor), Java. Hij was de zoon van de directeur van de Nederlandsche Handelmaatschappij in Batavia (Jakarta) en een neef van de vliegtuigbouwer Anthony Fokker.
In 1894 keerde zijn familie terug naar Nederland. Hij studeerde mijnbouw aan de Technische Universiteit Delft en natuurkunde aan de universiteit van Leiden bij Hendrik Lorentz, waar hij in 1913 zijn doctoraat kreeg. Uit zijn proefschrift kwam in 1914 een publicatie voort met daarin een theorie die later de ‘Fokker-Planck vergelijking’ zou gaan heten, nadat deze in 1917 onafhankelijk door Max Planck werd beschreven. In de natuurkunde is Fokkers naam daarom tot op de dag van vandaag vooral bekend vanwege de Fokker-Planck-vergelijking, een partiële differentiaalvergelijking van de tweede orde die betrekking heeft op de Brownse beweging. In de jaren 1913–1914 werkte Fokker in Zürich als assistent van Albert Einstein, en publiceerde hij samen met Einstein een artikel over de algemene relativiteitstheorie. Hij vervolgde zijn studies bij Ernest Rutherford en William Bragg. Van 1914 tot 1918 was hij als docent verbonden aan de Universiteit Leiden. Daarna werd hij achtereenvolgens benoemd tot natuurkundeleraar aan het gymnasium van Delft en bijzonder hoogleraar aan de Technische Hogeschool te Delft (1923-1927). Vanaf 1927 was hij betrokken bij de Teylers Stichting in Haarlem en van 1928 tot 1955 was hij professor in de natuurkunde aan de universiteit van Leiden en curator van het Fysisch Kabinet van het Teylers Museum. In de jaren twintig en dertig ontwikkelde hij zich tot een vooraanstaande figuur binnen de Nederlandse natuurkundige gemeenschap, niet in het minst door zijn organisatorische en redactionele activiteit. Hij verkreeg tevens een internationale reputatie als fysicus en specialiseerde zich onder andere in de relativiteitstheorie. Van 1921 tot 1933 was hij redacteur van Physica-Nederlandsch Tijdschrift voor Natuurkunde. Een praktisch aandachtsveld binnen de geluidsleer was voor hem al vroeg de akoestiek van zalen. Voor tal van bestaande en nieuwe concert- en theaterzalen trad hij op als adviseur. Ook kerken deden in dit verband regelmatig een beroep op hem. Gedurende de Tweede Wereldoorlog, toen de Universiteit Leiden gesloten was, begon hij met het bestuderen van de muziektheorie, geïnspireerd door de beschrijving van een 31-toonsstemming door Christiaan Huygens (1629-1695), dat net in deel 20 van het Oeuvres complètes van Huygens verschenen was. Gefascineerd als hij was door de vinding van Huygens, verdiepte hij zich in harmonieleer, toonsystemen en stemmingswijzen en projecteerde vervolgens zijn eigen revolutionaire ideeën met betrekking tot zuivere intonatie op het 31-toonssysteem.
Het
jaar 1942 was een keerpunt in zijn leven. Voortaan zou hij zijn meeste aandacht op de muziek richten, al werd de natuurkunde niet vergeten. In 1943 ontwierp hij een klein orgel om het spelen in de Euler-Fokker toongeslachten mogelijk te maken. Zijn muziektheoretische onderzoeken hebben in 1945 hun weerslag gevonden in het boek Rekenkundige bespiegeling der muziek. Maar Fokker was er de man niet naar om het bij theoretische beschouwingen te laten. Zijn ideeën moesten uitgebreid getoetst worden. Zo kwam het dat hij in 1950 orgelbouwer Bernard J.A. Pels de opdracht om een pijporgel met 31 tonen in het octaaf te bouwen. Daarmee bracht Adriaan Fokker als eerste de theorieën van Christiaan Huygens in de praktijk. Dit 31-toonsorgel (Fokker-orgel) kreeg geen verplaatsbaar klavier zoals in de schetsen van Huygens, maar twee toetsenvelden met 31 toetsen per octaaf boven elkaar. De grote hoeveelheid wit-zwart-blauwe toetsen zijn compact gerangschikt en vormen mysterieuze, diagonaal oplopende patronen. Het orgel staat gestemd in de middentoonstemming, maar heeft extra tonen waardoor er wél onbeperkt gemoduleerd kan worden naar alle toonsoorten; iets dat bijvoorbeeld onmogelijk is op een in de middentoon gestemd kerkorgel.
In 1951 werd het zogenaamde Fokker-orgel geïnstalleerd in Teylers Museum te Haarlem. Het unieke instrument kwam in de centrale hal van het museum te staan, waar Fokker curator was van het Fysisch Kabinet. Vanaf september 1951 werden hier elke eerste zondagochtend van de maand demonstraties en concerten gegeven op het 31-toonsorgel, waar diverse musici bij betrokken waren. Fokker werd een warm pleitbezorger van het 31-toonssysteem en was voortdurend bezig componisten en musici ervoor te interesseren. Voor hem was het een stelsel dat ongekende nieuwe muzikale mogelijkheden in zich droeg. Het orgel zag hij als een instrument dat deuren opende voor de muziek van de toekomst, vrij van de beperkingen van het twaalftoonstelsel. Fokker hield lezingen over de hele wereld en wist verscheidene zangers, musici en componisten voor zich te winnen. Hierdoor kwam er een ware 31-toonsbeweging op gang. Nederlandse componisten als Peter Schat, Henk Badings, Hans Kox en Jan van Dijk, en in het buitenland onder andere Alois Hába, Ivan Wyschnegradsky en Alan Ridout leverden belangrijke bijdragen aan de 31-toonsliteratuur.
In 1960 richtte professor Fokker ‘Stichting Nauwluisterendheid’ (waarvan de naam in 1966 werd gewijzigd in Stichting Huygens-Fokker) op om het orgel te kunnen beheren en de muziek te verspreiden. In de jaren vijftig en zestig gaf Fokker veel lezingen in binnen- en buitenland over het 31-toonssysteem. Bovendien schreef hij artikelen over muzikale onderwerpen en een muzikale autobiografie: Neue Musik mit 31 Tönen. Onder het pseudoniem Arie de Klein schreef hij korte composities in een groot aantal verschillende toongeslachten, met markante titels als Tenacitas (1948), De harmonieke zeester (1952), Jakobs droom (1959), Septimes in de Tatrabergen (1964), Hotelkamer 315 (1967), Kabbelende diëzegolven (1971) en 6:7:8:9 (1972). In 1964 kreeg Adriaan Fokker uit handen van Prins Bernhard de Zilveren Anjer uitgereikt voor zijn verdiensten voor de Nederlandse cultuur. Aan het einde van zijn leven was hij nog betrokken bij de ontwikkeling van een laatste 31-toonsinstrument, namelijk de elektronische ‘archifoon‘ die in 1970 werd gebouwd. Hij overleed op 24 september 1972 in zijn woonplaats Beekbergen na dertig jaar van intensieve, onafgebroken muzikale activiteit en inzet voor de 31-toonsmuziek.
Volgens prof. Leigh Gerdine bereikte Fokker de volgende zeer wenselijke doelstellingen met betrekking tot het 31-toonssysteem:
- hij vestigde de fysische basis voor het bestaan van de kleine drieklank en mineur tonaliteit in de gespiegelde (reciproke) versies van zijn intervalrelaties;
- hij maakte van de septiem een acceptabel harmonisch interval – waar Hindemith dit niet verder durfde na te streven omdat hij niet zeker wist waartoe het zou leiden;
- hij bedacht – en bouwde – een toetsenbord dat de problemen met 31-toonsmuziek op briljante wijze oplost, en sommige ontoereikendheden van het huidige 12-toonstoetsenbord elimineert;
- hij maakte de uitdagingen van een nieuw rationaal geluidsspectrum toegankelijk, wat zowel sterkere consonantie als sterkere dissonantie mogelijk maakt, en een meer authentieke uitvoering van oude muziek (vóór Bach) als uitgebreidere mogelijkheden voor de muziek van de toekomst.
Lees het artikel van Rudolf Rasch over Fokkers muzikale activiteiten: Adriaan Daniël Fokker: Musicus tricesimoprimalis (1988). Of het verhaal over Einstein en Fokker (Sander Germanus, 2024). Meer informatie over Adriaan D. Fokker is te vinden op de website van het Huygens Instituut.

