Carrillo-piano
Een markante 96-toonspiano
De Carrillo-piano, ook wel de 96-toonspiano (of officieel de 1/16-toons piano) genoemd, is een uitzonderlijk muziekinstrument dat veel microtonale mogelijkheden biedt. Ontwikkeld in de jaren 1950 door de Mexicaanse componist Julián Carrillo (1875-1965) in samenwerking met de Duitse pianobouwer Carl Sauter, heeft deze piano talloze componisten en musici geïnspireerd tot het verkennen van nieuwe muzikale mogelijkheden. Vandaag de dag is deze zeldzame piano in het bezit van instellingen zoals het Conservatoire National Supérieur de Musique et de Danse in Parijs en Stichting Huygens-Fokker in het Muziekgebouw aan ’t IJ te Amsterdam.
De Carrillo-piano van Sauter is gestemd volgens een 96-toons gelijkzwevende stemming, wat neerkomt op 96 gelijke stappen per octaaf. Dit betekent dat het interval tussen twee aangrenzende toetsen een 1/16-toon bedraagt, oftewel slechts 12,5 cents. Er zijn 16 toetsen nodig om één hele toon te overbruggen (bijvoorbeeld van c’ naar d’), en 8 toetsen voor een halve toon (zoals van g’ naar gis’). Het klavier telt 97 toetsen en 291 stalen snaren. De Carrillo-piano heeft een hoogte van 116 centimeter en lijkt op een standaardpiano, maar bespant slechts één octaaf qua klankbereik: van c1 (middelste C) tot c2. Het visuele bereik beslaat echter acht octaven, wat voor uitvoerenden mogelijk verwarrend kan zijn. De Carrillo-piano is een staande piano met een mechanisme dat vergelijkbaar is met een traditionele piano. Het instrument is volledig drievoudig gesnaard en heeft twee pedalen: een sustainpedaal en een softpedaal. In tegenstelling tot een traditionele piano heeft het softpedaal geen effect op de klankkleur, maar verkort het slechts de afstand tussen de hamers en de snaren (zie folder). In tegenstelling tot sommige andere Carrillo-piano’s heeft de piano van Stichting Huygens-Fokker geen derde (moderator)pedaal maar een handmatige moderator, waarmee een laag vilt tussen de hamers en de snaren kan worden geplaatst om een gedempt mysterieus geluid te kunnen creëren.
In het 96-toonssysteem van de Carrillo-piano, waarmee 16de tonen gespeeld kunnen worden, zitten ook verschillende andere toonsystemen verborgen, zoals het gangbare 12-toonssysteem, het 24-toonssysteem (kwarttonen) en het 48-toonssysteem (achtstetonen). Tevens kan er praktisch volgens de reine intonatie op gespeeld worden. En ondanks het feit dat de 96-toons Carrillo-piano en het 31-toons Fokker-orgel op twee verschillende (bijna onverenigbare) systemen zijn gebaseerd, kunnen de instrumenten samen opvallend mooi zuiver spelen, aangezien de tonen in het meest ongunstige geval maar hoogstens 6,25 cents van elkaar af kunnen wijken. Zeker door de geheel verschillende klank van de instrumenten is dit verschil feitelijk amper waar te nemen. De meeste tonen op het Fokker-orgel hebben dus een vrijwel zuivere overeenkomstige toon op de Carrillo-piano. Slechts bij het samenstellen van consonante akkoorden moeten sporadisch keuzes gemaakt worden, waardoor een bepaalde toon meer afwijkt van het 31-toonsorgel dan 6,25 cents. Echter, in verreweg de meeste gevallen kunnen er in een compositie voor de 96-toonspiano slechts consonante intervallen (twee tonen tegelijk) gespeeld worden, aangezien men door de grote afstanden op het toetsenbord voor het uitvoeren van harmonische samenklanken vier handen nodig heeft. Een enkele speler kan dus alleen intervallen of microclusters op de Carrillo-piano spelen. (Check hier het overzicht met de overeenkomstige tonen tussen de Carrillo-piano en het Fokker-orgel.)
Om de muziek voor o.a. de 96-toonspiano te noteren, ontwikkelde Carrillo, naast een systeem met kleine streepjes die voor de tonen werden geplaatst, ook een cijfernotatie, door alle toonhoogten binnen het octaaf simpelweg een getal van 1 tot 96 te geven. Dit is voor uitvoerende musici echter lastig om te lezen. Daarom worden partituren tegenwoordig geschreven in een normale pianonotatie (meestal verdeeld over twee notenbalken), genoteerd alsof het bereik van de tonen CCC tot c5 is. Het notenbeeld bestaat dan weliswaar uit extreme sprongen (alle intervallen op het toetsenbord zijn acht keer groter dan normaal), maar een partituur kan in principe wel direct door iedere in moderne muziek gespecialiseerde pianist gespeeld worden, zonder dat er een ingewikkelde nieuwe notatie aangeleerd hoeft te worden. Hetzelfde geldt voor het toetsenbord van de piano, die exact hetzelfde is als die van een traditionele piano, maar dan niet met 88 maar 97 toetsen. In dit geval had Carrillo wel vanaf het begin de voordelen van een conventioneel toetsenbord voorzien, aangezien het ontwikkelen van een speciaal toetsenbord voor 96-toonsmuziek een onmogelijke opgave zou zijn. Zo is de markante Carrillo-piano uiteindelijk toch een praktisch te bespelen instrument met leesbare bladmuziek.
De Carrillo-piano onderscheidt zich van traditionele piano’s door haar opmerkelijke karakter. Allereerst heeft de piano een zeer herkenbare hamerende klank, bijna als een ‘prepared piano’, door het ontberen van lage tonen, waardoor boventonen van deze snaren niet meeklinken. En waar standaardpiano’s halve tonen als kleinste interval gebruiken, verkent deze piano de subtiele nuances tussen deze tonen. Het verfijnde 96-toonssysteem van Carrillo kan feitelijk ieder interval en akkoord zuiver benaderen. Zo kunnen er op de Carrillo-piano via spectrale akkoorden zeer diverse boventoonklanken nagenoeg perfect gespeeld worden. Tevens kan het instrument door zijn kleine afstanden goed gecombineerd worden met instrumenten in andere stemmingen voor polymicrotonale muziek (‘multiple devision music’) en door zijn afgeleide van het 12-toonssysteem tevens eenvoudig stemmen en samenspelen met conventionele piano’s, wat uitvoeringsmogelijkheden ten goede komt. Daarnaast kan door de zeer kleine toonsafstanden bijna iedere stemming van niet-westerse muziekinstrumenten worden geproduceerd op dit bijzondere instrument, dat (in tegenstelling tot veel andere microtonale instrumenten) door iedere pianist bespeeld kan worden. Dit stelt zowel componisten als pianisten voor nieuwe uitdagingen en opent mogelijkheden voor experimentele muziek. Met haar innovatieve technologie en fascinerende geluiden heeft de 96-toons Carrillo-piano zo een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van microtonale muziek.
Geschiedenis van de Carrillo-piano
De Carrillo-piano, een instrument dat de traditionele muzikale grenzen verlegt, is nauw verbonden met de Mexicaanse componist en muziektheoreticus Julián Carrillo (1875–1965). Carrillo, een pionier van microtonale muziek, ontwikkelde een revolutionaire theorie genaamd Sonido 13, waarin hij stelde dat muziek verder kon evolueren door het gebruik van intervallen kleiner dan de halve toon. Zijn werk inspireerde de creatie van nieuwe instrumenten, waaronder de beroemde 96-toonspiano (ofwel 1/16-toonspiano), die een belangrijke mijlpaal vormt in de geschiedenis van microtonale muziek en een revolutionaire stap markeert in het begrijpen en uitvoeren van klanken buiten de traditionele westerse toonladder.
Julián Carrillo werd geboren in Ahualulco, Mexico. Hij begon zijn muzikale opleiding in een kerkkoor en studeerde later viool, compositie en muziektheorie aan het Conservatorium van Mexico-Stad. Tijdens zijn studies raakte hij gefascineerd door de fysica van muziek. In 1895 ontdekte hij, door experimenten met een vioolsnaar, dat hij een hele toon in zestien gelijke delen kon splitsen. Dit vormde de basis voor zijn microtonale theorie. In 1925 bedacht hij voor deze overwegingen zijn eigen notatie. Na verdere studies in Europa, onder andere aan het Conservatorium van Leipzig en het Koninklijk Conservatorium Gent, waar hij excelleerde als violist en componist en de basis legde voor zijn latere innovaties, keerde Carrillo terug naar Mexico. Hij werd een invloedrijke figuur in het Mexicaanse muziekleven, als dirigent en docent, en stelde een nieuwe muzikale richting voor met zijn Sonido 13-theorie (De Dertiende Toon, wat feitelijk voor de eerste toon buiten de conventionele 12 tonen stond), waarmee hij microtonale intervallen kleiner dan een halve toon introduceerde. Hij creëerde nieuwe composities, richtte ensembles op en ontwierp innovatieve instrumenten om microtonale muziek mogelijk te maken. In 1950 werd Julián Carrillo genomineerd voor de Nobelprijs voor Natuurkunde, die hij overigens niet won. Zijn werk botste echter vaak met traditionele muzikale opvattingen, waardoor hij tegenstand ondervond, zowel in Mexico als internationaal. Zo werd zijn werk, ondanks Carrillo’s artistieke genialiteit en de steun van prominente figuren zoals Leopold Stokowski (met wie hij een ‘Orquesta Sonido 13’ oprichtte en hier in de jaren ’30 samen mee op tournee ging), regelmatig bekritiseerd en gemarginaliseerd. Toch bleef Carrillo onvermoeibaar experimenteren met microtonale systemen en ontwikkelde hij samen met instrumentbouwers microtonale instrumenten om zijn revolutionaire ideeën te realiseren, waaronder de 96-toonspiano, maar ook aangepaste harpen en strijkinstrumenten. Daarnaast bleef hij trouw aan zijn eigen visie, wat resulteerde in een oeuvre dat zowel experimenteel als diep geworteld was in traditionele structuren.
In de jaren 40 ontwierp en patenteerde Carrillo vijftien zogenaamde metamorphoser-piano’s, elk afgestemd op een specifieke microtonale stemming, variërend van hele tonen, kwarttonen tot 1/16-toonsintervallen en iedere verdeling daartussen. De 96-toonspiano is een van de meest opmerkelijke van deze instrumenten. Met 96 toetsen per octaaf en een interval van slechts 12,5 cents tussen ieder van tussen aangrenzende toetsen, opent het instrument een geheel nieuw en gedetailleerd klankuniversum. De piano’s, gebouwd door pianofabriek Carl Sauter in Spaichingen, werden voor het eerst gepresenteerd tijdens de Wereldtentoonstelling van Brussel in 1958, waar ze bekroond werden met een médaille d’or (gouden medaille). Drie van deze instrumenten bevinden zich nu in het Conservatorium van Parijs (twee in de zestiende toon en één in de derde toon) en andere bevinden zich op conservatoria in Nice, Mexico City, Freiburg en Vancouver. Nieuwere modellen van de 96-toonspiano zijn te vinden in steden als Buenos Aires, Montréal en Lissabon en de Hochschule der Künste in Bern.
Carrillo’s microtonale instrumenten, waaronder de 96-toonspiano, hebben wereldwijd menige componist beïnvloed, waaronder György Ligeti en Giacinto Scelsi die voort bouwden op Carrillo’s ideeën, zij het vaak vanuit een andere esthetische invalshoek. Ook vonden zijn ideeën weerklank bij andere microtonale pioniers zoals Ivan Wyschnegradsky en Alois Hába, die eveneens nieuwe systemen en instrumenten ontwikkelden voor resp. kwarttonen en zesdetonen. Maar zijn werk inspireerde ook componisten en onderzoekers om verder te experimenteren met microtonale muziek. De 96-toonspiano, dat symbool staat voor Carrillo’s visie en doorzettingsvermogen, biedt tot op heden nieuwe muzikale uitdagingen voor zowel uitvoerders als componisten. Hoewel Carrillo tijdens zijn leven zowel lof als kritiek ontving, zijn zijn bijdragen van onschatbare waarde gebleken. Zijn werk daagt de conventionele muzikale grenzen uit en benadrukt het potentieel van microtonaliteit om nieuwe muzikale werelden te ontdekken. (Lees meer over Julián Carrillo in het online archief van Stichting Huygens-Fokker)
Tussen 1997 en 2000 heeft de originele Duitse pianobouwer Sauter opnieuw een reeks van tien Mikroton 1/16 piano’s vervaardigd, die door Stichting Huygens-Fokker sinds 2010 Carrillo-piano’s worden genoemd. Eén van deze bijzondere doch lastig te verkopen en vooral prijzige piano’s kwam in het begin van de 21ste eeuw, door de goede contacten van Robbert Westera met Sauter, bij pianohandel Westera in Winterswijk terecht.
Vanuit hier werd gewerkt aan de mogelijke bespeling ervan in Nederland, wat onder andere resulteerde in een eerste samenwerking met Stichting Huygens-Fokker. Op 5, 6 en 7 augustus 2005 werd er in het kader van het Hortus Festival van saxofonist en organisator William Raaijman (en met financiële steun van de stichting) achtereenvolgens in Utrecht, Leiden en Amsterdam een concert gegeven met onder meer de Carrillo-piano, bespeeld door pianist Maarten van Veen, die in 2004 het instrument in Winterswijk aantrof. In 2008 nam Stichting Huygens-Fokker, nu onder leiding van artistiek directeur Sander Germanus, contact op met de firma Westera, in een eerste poging om deze markante 96-toonspiano aan te kopen. Het duurde echter tot begin 2011 dat het instrument – met goedkeuring van Sauter, een extra sponsoring van de importeur én een grote gift van het Nederlands Akoestisch Genootschap (dat ooit mede door professor Adriaan Fokker was opgericht) en zes bekende raadgevende ingenieursbureaus – definitief in het bezit kwam van Stichting Huygens-Fokker. Het eerste concert met de Carrillo-piano, getiteld ‘Carrillo vs Fokker’, was meteen datzelfde jaar, namelijk op 16 oktober 2011 in de Kleine Zaal van het Muziekgebouw aan ’t IJ, uitgevoerd door organist Ere Lievonen op het Fokker-orgel en wederom Maarten van Veen op de Carrillo-piano. Vanaf dat succesvolle optreden zijn er jaarlijks meerdere Fokker-orgelconcerten georganiseerd waarin deze 96-toonspiano een muzikale rol speelde en is er repertoire ontstaan voor zowel 96-toonspiano solo als in combinatie met 31-toonsorgel. In 2013 deed de Carrillo-piano ook zijn intrede in Ensemble SCALA, het microtonale huisensemble van Stichting Huygens-Fokker. Het instrument wordt daarin bespeeld door pianiste Anne Veinberg, die zich sinds dat moment heeft gespecialiseerd in het instrument. In 2021 is een langgekoesterde wens in vervulling gegaan toen de Carrillo-piano voorzien werd van een handmatige moderator van Sauter waarmee de klank aanzienlijk zachter gemaakt kon worden. Met al deze mogelijkheden is de 96-toonspiano een sublieme aanwinst gebleken en zal het instrument tot ver in de toekomst voor Stichting Huygens-Fokker van grote muzikale waarde blijven in de concertserie van het Fokker-orgel en daarbuiten.
