Fokker-orgel

Een uniek 31-toonsorgel

Het Fokker-orgel is een uniek 31-toonsorgel dat in 1950 werd gebouwd door orgelbouwer B. (Bernard) Pels & Zoon in het Teylers Museum te Haarlem, op initiatief en naar een ontwerp van de Nederlandse natuurkundige professor Adriaan Daniël Fokker. Het is het pronkstuk van Stichting Huygens-Fokker, die het instrument beheert en de bespeling ervan organiseert. Het instrument is gebaseerd op het 31-toonssysteem, oftewel de 31-toons gelijkzwevende stemming, die overeenkomt met de middentoonstemming, maar 19 extra tonen heeft. Het instrument telt namelijk 31 (vijfde)tonen in het octaaf, in plaats van de gebruikelijke 12 tonen. Het grote voordeel hiervan is dat er naar alle toonsoorten gemoduleerd kan worden, iets dat eerder maar gedeeltelijk mogelijk was binnen de middentoonstemming, die zuiverdere tertsen kent dan de gangbare gelijkzwevende 12-toonsstemming. Het orgel werd in 2009 gerenoveerd door Pels & Van Leeuwen en herbouwd in het Muziekgebouw aan ’t IJ te Amsterdam. Ondanks de ogenschijnlijk vele orgelpijpen is het 31-toonsorgel een relatief bescheiden orgel qua grootte met niet meer dan zes registers, maar met een vol geluid dat luid genoeg is voor de Kleine Zaal. In totaal telt het instrument 648 orgelpijpen, verdeeld over zes registers. Het Fokker-orgel heeft een speeltafel met twee 31-toonsmanualen en een pedaal (hoofdklaviatuur). De speeltafel is verplaatsbaar en kan overal in deze zaal worden geplaatst en staat meestal in het midden onder de orgelpijpen, met de 31-toonsmanualen naar het publiek gericht. Oorspronkelijk had het Fokker-orgel ook een hulpklaviatuur (speeltafel) met 12-toonsmanualen en een 12-toonspedaal waarop een gedeelte van de 31-toonstoonschaal gespeeld kon worden. Echter, omdat er rond de Kleine Zaal niet voldoende plek was voor twee grote speeltafels is deze in 2009 niet gerenoveerd en daarom vervangen door twee masterkeyboards van het merk Fatar. Dit laatste was mogelijk omdat het instrument bij de renovatie was voorzien van MIDI-techniek (in & out), waardoor het tegenwoordig volledig computer bestuurbaar is. Zo kan het Fokker-orgel nu live gespeelde muziek in MIDI opnemen, kunnen er MIDI-files op het instrument uitgevoerd en afgespeeld worden, kan iedere modus of selectie uit de 31 tonen onder de 12-toonstoetsen worden geprogrammeerd, kunnen er vanuit het Fokker-orgel naast de akoestische registers tevens digitale registers aangestuurd worden die door vier identieke speakers in het orgel tot klinken worden gebracht, kunnen alle Euler-Fokker genera via een laptop op het orgel gespeeld worden, en kan het orgel op afstand bespeeld worden door via internet MIDI-signalen te versturen. Met MIDI-programmering is het daarnaast mogelijk extra (kunstmatige) koppelingen te gebruiken, waardoor er meer flexibiliteit is in de registratie dan in de oorspronkelijke dispositie van het Fokker-orgel. Met octaafkoppelingen kan bijvoorbeeld het maximale volume groter zijn dan zes gelijktijdig klinkende registers, wat in sommige passages in muziek van pas kan komen. Ook is er geen sprake van tijdverlies door registratiewisselingen, omdat alle registratieveranderingen via een computer volledig geautomatiseerd kunnen worden met speciale software.

De stemming van het 31-toonsorgel is a’ = 443 Hz (in het Muziekgebouw, oorspronkelijk a’= 440 Hz in het Teylers Museum). Bij de renovatie is gekozen om het instrument niet lager te stemmen, toen bleek dat het Fokker-orgel hoger klonk door het warmere klimaat in de Kleine Zaal van het Muziekgebouw ten opzichte van de koelere centrale hal boven het entree van het Teylers Museum. Waar in deze hal alle orgelpijpen op de vloer in een kastruimte met grote openslaande deuren stonden, bevinden zich de orgelpijpen tegenwoordig boven de glazen wand van de Kleine Zaal in het Muziekgebouw, waarbij men het Fokker-orgel en de skyline van Amsterdam in één blik kan vangen. 

De dispositie van het 31-toonsorgel is als volgt:
Manuaal I: Quintadena 8′ en Prestant 4′ op het ondermanuaal met een omvang van C-g”’ (4½ octaaf), met 143 tonen/orgelpijpen en 319 toetsen
Manuaal II: Salicionaal 8′ en Roerfluit 4′ op het bovenmanuaal met een omvang van C-g”’ (4½ octaaf), met 143 tonen/orgelpijpen en 319 toetsen
Pedaal: Subbas 16′ en Gedekt 8′ (transm.) met een omvang van C-f (1½ octaaf), met 45 tonen/orgelpijpen (Gedekt 8′ heeft 31 eigen orgelpijpen) en 45 pedalen
Koppelingen: P + I en P + II, behorende bij het pedaal en I + II, behorende bij manuaal I  (NB. Gedekt 8′ gebruikt de 14 laagste orgelpijpen van de Subbas.)

De Quintadena op manuaal I en de Roerfluit 4′ op manuaal II zijn fluitachtige registers, waarvan de Quintadena het zachtste register van het orgel is. Oorspronkelijk had de Quintadena een andere klank, met traditioneel meer kwint erin. Maar in het Teylers Museum bleek ooit al snel dat deze kwint interfereerde met de meer getempereerde kwint van het 31-toonssysteem en de middentoonstemming in het algemeen. Om dit probleem op te lossen werd de kwint door de orgelbouwer zoveel mogelijk uit de Quintadena gehaald, waardoor de klank dichtbij die van de Roerfluit kwam te staan, maar dan een octaaf lager. De Roerfluit is iets luider dan de Quintadena zelfs als deze een octaaf lager wordt gespeeld. De Salicionaal op manuaal II is een strijkerachtig register met een zingende klank. Dit register is luider dan de Quintadena van manuaal I. De Prestant op manuaal I is een hoofdregister en het luidste enkele register van het Fokker-orgel. Het toevoegen van de Prestant aan andere registers voegt helderheid toe en creëert het het effect van groot orgel. Manuaal I kan worden gekoppeld aan manuaal II (d.w.z. wanneer je op manuaal I speelt, klinken ook de geactiveerde registers van manuaal II). Het pedaal kan worden gekoppeld aan manuaal I en/of manuaal II. De twee pedaalregisters hebben een vergelijkbare klank: fluitachtig en vrij zacht, vooral in het 16 voetsbereik. De Subbas zorgt echter voor de nodige diepte, zelfs bij gebruik van het volledige orgel.

De dispositie op de oude hulpklaviatuur met twee normale 12-toonsmanualen is overigens hetzelfde als dat van de hoofdklaviatuur, behalve in het pedaal. Omdat het een octaaf meer omvat, is Gedekt 8′ achterwege gelaten. De 12-toonsmanualen van deze oorspronkelijke speeltafel zijn op een speciale manier verbonden met de rest van het orgel. Door middel van negen druktoetsen kan een van negen voorselecties van 12 tonen uit de 31 tonen per octaaf met het toetsenbord verbonden worden. Acht daarvan zijn vast voorgeselecteerd en voor de laatste kunnen tonen naar believen door middel van schakelaars gekozen worden. De vaste selecties zijn de Euler-Fokker genera met kwinten, grote tertsen en harmonische septiemen die toonschalen vormen van 12 tonen per octaaf: [3³.5²], [3².5³], [5³.7²], [3³.7²], [5².7³], [3².5.7], [3.5².7], [3.5.7²]. In de programmeerbare selectie kan de middentoonstemming met E♭ en G♯ gekozen worden. Dit voorziet in de tonen gebruikt door de 17e- en 18e-eeuwse componisten en laat daardoor de oude schoonheid van hun composities herleven. Zoals Adriaan Fokker hierover zei: “Dit is de klaviatuur die terugblikt op het klassieke verleden. De andere klaviatuur met de 31-toonsmanualen is de klaviatuur die in de toekomst kijkt.” Deze tweede speeltafel staat nog bij de orgelbouwer.

Beide 31-toonsklavieren hebben een identieke indeling en bestaan uit witte, zwarte en blauwe toetsen. De zeven witte toetsen per octaaf komen overeen met die van de piano. Dat geldt ook voor de zwarte toetsen, behalve dat er twee zwarte toetsen boven elkaar geplaatst zijn, wat het totaal op tien toetsen per octaaf brengt. In de middentoonstemming en dus ook de 31-toonsstemming is er een verschil tussen bijvoorbeeld de Bes en de Ais, waarbij de Bes een vijfdetoon hoger klinkt dan de Ais. De bovenste zwarte toetsen zijn daarom verbonden aan de mollen en de onderste aan de kruisen. De 7 witte toetsen en de 10 zwarte toetsen maken samen 17 toetsen. De overige 14 van de 31 Fokker-orgeltoetsen zijn dus blauw en bedienen alle tussenliggende vijfdetonen van het 31-toonssysteemDe afmetingen van de klaviertoetsen, inclusief de ruimte ertussen, zijn 12 x 40 millimeter. De toetsen zijn zo geordend dat de afstand van een octaaf op het 31-toonsorgel feitelijk gelijk is aan die op een piano, maar dan met 31 toetsen binnen dezelfde ruimte. Onder meer om deze reden zijn de toetsen een stuk kleiner en zijn deze boven elkaar geplaatst. Daarnaast lopen de toetsen van links naar rechts diagonaal omhoog en zijn er verdubbelingen van de toetsen op het klavier te vinden, waardoor complexe akkoorden op verschillende manieren gespeeld kunnen worden. Dit ingenieuze toetsenbord van Adriaan Fokker is tevens op zo’n manier ontworpen dat er een ultrachromatische toonladder van vijfdetonen ontstaat wanneer men de toetsen die recht boven elkaar staan verticaal omhoog of naar beneden bespeelt. 

Het Fokker-orgel is het enige volwaardig akoestische 31-toonsorgel ter wereld en heeft grote muziekwetenschappelijke waarde. Door de ongelijke halve tonen van de gelijkzwevende 31-toonsstemming is de klankervaring van iedere muziekstuk op dit buitengewone instrument een beleving op zich. Het orgel kan eigenlijk niet anders dan composities op een andere, eigen manier laten klinken. Daardoor krijgt men bij de uitvoering van elk werk een in veel gevallen beter alternatief voor de conventionele gelijkzwevende 12-toonsstemming; precies zoals Christiaan Huygens en Adriaan Fokker hun toekomstmuziek ooit voor ogen hadden.

Geschiedenis van het Fokker-orgel

In 1950 werd het unieke Fokker-orgel gebouwd door de Nederlandse orgelbouwer Pels. Maar de geschiedenis van dit 31-toonsorgel gaat reeds terug naar het decennium daarvoor. De bekende natuurkundige professor Adriaan Fokker, hoogleraar in Delft en Leiden en neef van de beroemde vliegtuigbouwer Anthony, had zich als curator van het Fysisch Kabinet in het Teylers Museum te Haarlem namelijk al vanaf begin jaren ’40 van de vorige eeuw ingezet om een microtonale instrumenten te laten bouwen en bespelen om zuiverdere intervallen te kunnen demonstreren. Inspiratiebron was Christiaan Huygens die reeds in 1691 in zijn artikel Lettre touchant le cycle harmonique het 31-toonssysteem beschreef, dat Fokker in deze jaren onder ogen kreeg. Dit resulteerde rond 1940 in de bouw van een 31-toonsgitaar en in 1943 in de bouw van het Euler-orgel, waarop men Euler-Fokker genera van de derde graad kon spelen. Dit kleine orgeltje is nog steeds te bezichtigen in het Teylers Museum. In 1945, na het einde van de Tweede Wereldoorlog, hervatte professor Adriaan Fokker het componeren en andere muzikale activiteiten. Hij concentreerde zich meer en meer op de theorie van stemmingen, in het bijzonder in relatie tot reine stemming en de 31-toonsstemming. Ook maakte hij een begin met een groter project op het gebied van instrumentenbouw, te weten een orgel met de volledige omvang van 31 tonen per octaaf. Fokker regelde vervolgens voldoende financiële steun om de bouw aan te vangen. Het orgel, gebouwd naar zijn eigen ontwerp, werd in 1950 in de centrale hal van het Teylers Museum in Haarlem door orgelbouwer B. Pels & Zoon gebouwd en geïnstalleerd. Niet onvermeld mag blijven dat ook de amanuensis van Teylers laboratorium, de heer J.M. Verbeek, nauw betrokken was bij het project. Naar eigen zeggen had het gros van zijn werkzaamheden in de jaren veertig te maken met de orgelbouw. Uit correspondentie met het Amsterdamse gemeentebestuur blijkt dat het Fokkers intentie was voor zijn orgel een prominente plaats te vinden in de hoofdstad. Dit lukte echter niet en vervolgens kwam het museum als locatie in beeld. De twee klavieren kwamen op het vloergedeelte van de rotonde ter hoogte van het balkon, de orgelpijpen, bedrading en verdere toebehoren “verdwenen” in een grote kastruimte, waarvan de deuren bij concerten zo wijd mogelijk werden opengezet. Bij de maandelijkse uitvoeringen bevond het publiek zich verspreid over de rotonde en het voorzaaltje van de aula. Fokker werd een warm pleitbezorger van het 31-toonssysteem. Voor hem was het een stelsel dat ongekende nieuwe muzikale mogelijkheden in zich droeg. Het orgel zag hij als een instrument dat deuren opende voor de muziek van de toekomst, vrij van de beperkingen van het twaalftoonstelsel. Fokker hield lezingen over de hele wereld en wist verscheidene zangers, musici en componisten voor zich te winnen. Hierdoor kwam er een ware 31-toonsbeweging op gang. Nederlandse componisten als Peter Schat, Henk Badings, Hans Kox en Jan van Dijk, en in het buitenland onder andere Alois Hába, Ivan Wyschnegradsky en Alan Ridout leverden belangrijke bijdragen aan de 31-toonsliteratuur en het repertoire van het 31-toonsorgel in het bijzonder. Onder het pseudoniem Arie de Klein schreef Fokker zelf ook een aantal korte composities voor ‘zijn’ orgel. Het was pas vele jaren later dat dit bijzondere instrument het ‘Fokker-orgel’ werd genoemd. De eerste organist was Paul Christiaan van Westering. Het eerste concert op het nieuwe 31-toonsorgel werd gegeven op 10 september 1951, met composities van Jan Pieterszoon Sweelinck, Paul Christiaan van Westering en Jan van Dijk. Sinds 1952 was Anton de Beer ook als vaste organist betrokken bij het 31-toonsorgel. Concerten op het orgel vonden in de periode 1951-1955 regelmatig plaats, met uitvoeringen van nieuw geschreven 31-toonsmuziek op de hoofdklaviatuur en oude muziek in de middentoonstemming op de hulpklaviatuur, met 12 toetsen per octaaf. Vanaf de jaren daarna werden concerten gegeven op elke eerste zondag van de maand, met uitzondering van januari. Vanaf de jaren ’90 was Joop van Goozen de opvolger van Anton de Beer als vaste organist van het Fokker-orgel in het Teylers Museum. 

Sinds 1960 beheert Stichting Huygens-Fokker het 31-toonsorgel, dat vanaf 1950 bijna vijftig jaar in de hal van het museum aan het Spaarne in Haarlem stond opgesteld, alwaar diverse microtonale concerten werden georganiseerd. In 1999 werd duidelijk dat het instrument moest wijken voor een invalidelift in het museum, waarna het drie maanden voor het jaar 2000 door de oorspronkelijke orgelbouwer is verwijderd en tot 2008 is opgeslagen in ‘s-Hertogenbosch. Eind 2006 begon de zoektocht naar een nieuwe geschikte locatie voor het instrument, die gevonden werd het nog nieuwe Muziekgebouw aan ’t IJ in Amsterdam. Dankzij de belangenloze inzet van M3H Architecten zijn er, voordat de daadwerkelijke renovatie van het Fokker-orgel van start ging, constructieberekeningen, realistische tekeningen en simulaties gemaakt van het orgel in de Kleine Zaal, waarin dit omvangrijke 31-toonsinstrument moest verrijzen. Na een intensieve zoektocht naar aanvullende subsidie, werd het Fokker-orgel, in opdracht van artistiek directeur Sander Germanus van Stichting Huygens-Fokker, in 2008 en 2009 volledig gerenoveerd en gemoderniseerd door Pels & Van Leeuwen Orgelbouw en omgebouwd tot een hypermodern orgel. Dit buitengewone 31-toonsorgel is vervolgens definitief geplaatst boven de glazen wand van de Kleine Zaal in het Muziekgebouw aan ’t IJ (lees hier meer over de omvangrijke renovatie in het online archief). Nieuw was dat het instrument vanaf dat moment ook door laptops aangestuurd kon worden, omdat het is voorzien van MIDI-techniek. Hierdoor is het Fokker-orgel sinds 2009 niet alleen het enige 31-toonsorgel, maar ook één van de eerste ‘hyperorgans’ ter wereld, volgens een PhD studie aan de Harvard University. Het feestelijke inwijdingsconcert van het Fokker-orgel was op zondag 17 mei 2009 en werd georganiseerd en gepresenteerd door Sander Germanus en bijgewoond door vele genodigden, waaronder de zoon van Adriaan Fokker, Aad Fokker, en een groot deel van de rest van de familie Fokker. Het 31-toonsorgel werd bespeeld door voormalig Fokker-organist Joop van Goozen met medewerking van zijn (in de jaren ’90) vaste muzikale gast Jos Zwaanenburg (fluit & live electronics) en andere muzikale gasten, te weten Guus Janssen (Fokker-orgel), Raymond Honing (traverso), Cees van der Poel (Fokker-orgel) en Elske Tinbergen (barokcello). Sinds september 2009 is Ere Lievonen de vaste organist van het Fokker-orgel. Vanaf dat moment begon tevens het eerste seizoen van de Fokker-orgelconcertserie, die tot op heden nog steeds met succes wordt georganiseerd. Ook is in 2009 het ‘stomme’ klavier, een draagbaar 31-toonstoetsenbord uit 1964 om op te oefenen, van MIDI-techniek voorzien. Hierdoor werd het mogelijk om via een laptop digitale 31-toonsorgelklanken te spelen op dit voorheen geluidloze klavier, wat ook van pas kwam bij het geven van concerten buiten de Kleine Zaal van het Muziekgebouw aan ’t IJ. 

Vanaf de herrijzing van het Fokker-orgel in 2009 staat het microtonale instrument midden in de Nederlandse én de internationale muziekwereld, zowel op het gebied van hedendaagse muziek als oude muziek. Tijdens de eerste 15 jaar na de renovatie is een keur aan nieuwe composities en muziekstijlen de revue gepasseerd. Zo is er naast oude muziek en hedendaagse (microtonale) muziek ook regelmatig niet-westerse muziek ten gehore gebracht, waaronder muziek uit China, Indonesië, India en Turkije. En nieuw is dat het, door de plaatsing van vier grote identieke speakers in het orgel in 2018 en de aanvulling van digitale 31-toonsorgelregisters via een laptop, mogelijk is geworden om orgelmuziek uit de romantiek in de middentoonstemming uit te voeren, als een concertprogramma daarom vraagt. Zonder software om snel en eenvoudig te kunnen moduleren en zonder de vele extra orgelregisters die romantische muziek vereist, was dit voorheen onmogelijk. De nieuwe MIDI-techniek heeft ook geleid tot allerlei bijzondere experimenten, waaronder de bespeling van het Fokker-orgel door een uitvoerder in Australië, met live videobeeld en publiek in de Kleine Zaal. Dit soort mogelijkheden heeft vervolgens ook geleid tot een gezamenlijk concert met het Orgelpark in Amsterdam. Daarnaast kon het Fokker-orgel vaak ingezet worden bij concerten en festivals van het Muziekgebouw zelf, zoals het World Minimal Music Festival, het Andriessen Festival, het Pärt festival, het festival Ongehoord Bruckner, het Ligeti Festival, het Kurtág Festival, An Evening Today, en The Rest is Noise. En daarnaast ook bij onafhankelijke concerten en festivals, zoals Lost & Found, Gaudeamus Festival, Sweelinck Festival en Sonic Acts. Dit alles naast een zeer gevarieerde eigen serie van zes concerten met het Fokker-orgel, waaraan vele gastmusici hebben meegewerkt. Met de oprichting van de huisenembles Ensemble SCALA (2010) en Vokalprojekt 31 (2015) heeft het Fokker-orgel een vaste plaats gekregen in twee ensembles voor microtonale muziek, waardoor het instrument ook als onderdeel van een grotere instrumentatie beluisterd kan worden. Gedurende de afgelopen zeer actieve jaren heeft het vernieuwde 31-toonsorgel meer in de belangstelling gestaan dan ooit tevoren, mede door de steeds groeiende belangstelling van componisten en publiek in dit unieke instrument en het achterliggende microtonale systeem. Publiek uit alle werelddelen komt tegenwoordig speciaal naar het Muziekgebouw in Amsterdam om het bijzondere klavier te bewonderen en het wereldberoemde Fokker-orgel te horen spelen. 

Mens en Melodie (1948): Orgel in de stemming van Huygens

De orgelbouwers B. Pels en Zoon te Alkmaar hebben een opdracht van Prof. Dr A. D. Fokker aangenomen, om een orgel te maken in de stemming van Christiaan Huygens, dat 1 Maart 1950 in Teylers Museum in Haarlem geplaatst en bespeelbaar zal zijn. Die stemming van Huygens is een middentoonstemming, die door een verfijning cyclisch gemaakt is, een evenredige stemming met 31 vijfde-tonen in het oktaaf. Men zal op dat orgel in de stemming van Huygens om te beginnen de oude muziek van de zeventiende eeuw in haar eigen klank kunnen horen, en dan bovendien nog toekomstmuziek met de harmonische zevenden!
Manuaal I krijgt achtvoets bourdon, viervoets prestant, Manuaal II krijgt 8 voets salicionaal, 4 voets roerfluit. Van C tot g”’. Het pedaal krijgt 16 voets subbas, van C tot f.
De manualen moeten al de 31 toetsen van het oktaaf binnen de handspan brengen. Dat wordt gedaan door elf rijen toetsen dakpansgewijze te schikken edoch zonder dat ze over elkaar grijpen. De secunden vindt men in rechte rijen van links naar rechts, b.v. c-d-e-fis-gis-ais-bis-cisis-disis enz. Halverwege e en fis, 1/2 cm hoger en iets verder van den speler af, komt de toets voor f, en naar links gaan vandaar de secunden naar es-des-ces-bese-ases-enz., naar rechts g-a-b-cis, enz. Tussen c en d komt aldus de des wat hoger en wat van den speler af, zo, dat c : des, kleine secunde, net zo ligt als e : f. Tussen c en d, maar wat lager en meer naar den speler toe, ligt de cis, zo dat de kleine secunde cis : d weer net zo ligt als e : f. In de tekening zijn 24 van de 31 toetsen getekend. De stamtonen worden wit. De bekruiste en bemolde tonen worden zwart. De dubbelbekruiste als fisis enz. en de dubbelbemolde, als eses, enz. worden blauw, evenals bis en ces en eis en fes. Voor elke toets is er een plaats van 12 x 38 mm. Ten einde de duim en pink gemakkelijk te kunnen gebruiken (ook met onderzetten!) zullen er voor elke toon twee toetsen zijn, één voor de lange vingers, één ten gebruike van duim en pink (vandaar elf rijen van toetsen). Voor het pedaal is de schikking der toetsen dezelfde. Daarbij is echter een verdubbeling van het aantal toetsen niet nodig. De tractie is electrisch pneumatisch.

A.D. Fokker: Over de bouw van het 31-toonsorgel

Men moest vooreerst geheel nieuwe klaviaturen ontwerpen. Men vindt hierop de hele toonsafstanden recht naast elkaar, van links naar rechts, de grote halve tonen in de diagonale richting rechts naar boven en de kleine halve tonen in de diagonale richting rechts naar beneden. De witte toetsen van de piano zijn hier ook wit. Voor elke zwarte toets van de piano vindt men twee zwarte toetsen, en de overige toetsen, tussen wit en zwart, zijn blauw. Boven en beneden elke witte is er een blauwe toets (zie fig. 1). Twee dingen vergemakkelijken het spel: de vingervaardigheid in één toonsoort behoeft hier niet (zoals op het gewone klavier) in een andere toonsoort door een andere vingervaardigheid te worden vervangen, en voor elke noot zijn er twee toetsen beschikbaar, voor sommige zelfs drie. De toetsen (319 op elk klavier) draaien niet om een stift in het midden of aan het eind. Ze bestaan uit kunstharsblokjes van 11 × 38 × 15 mm, die verticaal omlaag gedrukt worden. Onder aan de toetsstang, die voor de geleiding zorgt, bevindt zich het contact (zie fig. 2).
Voor een goede bespeelbaarheid was het nodig dat de toetsen een diepgang van slechts 5 mm kregen, anders werd het verschil met de er achter liggende toetsen, die telkens 6 mm hoger liggen, te groot.
Deze kleine diepgang en de ermee samenhangende zeer korte zg. “dode gang” van de toetsen eisten zeer nauwkeurig werk. Door het gebruik van zeer goede en krimpvrije materialen is dit mogelijk gebleken.
Het bovenste manuaal sluit direct aan aan het onderste. Bovendien is het hellend opgesteld. De afstand tot de achterste rij toetsen van het bovenste manuaal is zodoende zo klein gehouden als mogelijk is met de 22 rijen toetsen die samen de twee klavieren vormen. Het pedaal heeft 45 toetsen (bijna 1 1/2 octaaf). Deze toetsen bestaan uit drie soorten hout, die de drie kleuren van de toetsen doen uitkomen. De hoogte van de toetsen is zo gekozen, dat het pedaalklavier in zijn geheel gezien een cylindervorm heeft. Omdat een groot deel van de toetsen steeds aan de achterkant bespeeld wordt, draaien ze aan de voorkant, in tegenstelling met de normale uitvoering.
De windladen zijn van het kegellade-systeem. Ze zijn in drie delen gesplitst. Dit was nodig omdat door het grote aantal pijpen de lengte van de windladen abnormaal groot moest zijn. Het aantal pijpen is 648. Bij een gewoon orgel met dezelfde registers zouden het er 266 geweest zijn.
Het uitrekenen van de maten van de pijpen was vanzelfsprekend een tijdrovend werk omdat een geheel nieuwe maatverdeling moest gemaakt worden.
Doordat bij het stemmen volgens een kwintencirkel nu 31 stappen gemaakt moeten worden i.p.v. 12 zijn de kansen op fouten ook veel groter. Bij een stemproef bleek dat de pijpen elkaar te sterk beïnvloedden om een goede stemming op het gehoor mogelijk te maken. De pijpen worden nu gestemd met behulp van een toongenerator en een kathodestraaloscillograaf. Hierbij wordt zo te werk gegaan dat er steeds slechts één pijp tegelijk klinkt: de onderhavige beïnvloeding is dan geëlimineerd. De juiste toonhoogte wordt dan “op het gezicht” op het scherm van de oscillograaf bepaald. Bij het werken volgens deze methode wordt gestemd volgens een tertsencirkel i.p.v. een kwintencirkel, want de zwevingen van de tertsencirkel zijn veel langzamer. Er kan dan veel nauwkeuriger gewerkt worden.
Om ook organisten die niet thuis zijn op de grote speeltafel in de gelegenheid te stellen het orgel te bespelen, is er een tweede speeltafel gemaakt met normale klavieren. Deze speeltafel is op een speciale manier met het orgel verbonden. Met behulp van een negental drukknoppen kunnen negen soorten uittreksels of toongeslachten, die telkens 12 van de 31 tonen per octaaf bevatten, aan de hulpspeeltafel aangesloten worden. Acht van deze geslachten zijn vastgelegd. Het negende kan naar willekeur worden uitgezocht met behulp van schakelaartjes. De kast waarin deze electrische installatie is ondergebracht, staat in de orgelkamer (zie fig. 4).
Beide speeltafels staan in het bovenportaal van het museum. Ze zijn met kabels (in het totaal met 533 draadjes) aan het orgel en de schakelkast verbonden.

Dispositie van het orgel:
Manuaal I C-g”’ (143 tonen): Quintadena 8′, Prestant 4′;
Manuaal II C-g”’ (143 tonen): Salicionaal 8′, Roerfluit 4′
Pedaal C-f (45 tonen): Subbas 16′, Gedekt 8′ (transm.)
Koppelingen: (P + I); (P + II); (I + II). Toonhoogte: a’ = 440 Hz.

De dispositie op de hulpspeeltafel is dezelfde behalve in het Pedaal. Hier is Gedekt 8′ vervallen, omdat deze speeltafel een octaaf méér in het pedaal heeft: namelijk C-f. Omdat de houdbaarheid van de stemming het belangrijkste was, komt er geen tweevoetsregister in het orgel voor.