Verhalen
Inhoud
- Bob Chamberlin (VS) en zijn ontmoeting met de Hollandse 31-toonsbeweging
- Nina Simone verbaast zich over de neutrale terts van het 31-toonsorgel
- Godfried Bomans vertelt Wim Sonneveld over ‘de 31-toonsoort’
- Pierre Boulez bezoekt het Fokker-orgel (door Paul Christiaan van Westering)
- Nicolaas Kroese wil met het 31-toonssysteem de wereld verbeteren
- Albert Einstein en Adriaan Fokker: een vruchtbare samenwerking
Bob Chamberlin (VS) en zijn ontmoeting met de Hollandse 31-toonsbeweging
Op 29 april 2024 stuurde Robert (Bob) Chamberlin, emeritus hoogleraar muziek van de Webster University in St. Louis, een e-mail naar Stichting Huygens-Fokker over een Fokker-orgelartefact. In de e-mailuitwisselingen die volgden met Sander Germanus van de stichting kwamen interessante details en trivia naar voren over zijn bezoek aan onder andere het 31-toonsorgel (destijds) in Haarlem.
Bob Chamberlin:
“In de zomer van 1978 had ik het voorrecht om tijd te besteden aan het leren bespelen en componeren van het 31-toons Fokker-pijporgel dat in het Teylers Museum stond. De heer Anton de Beer was mijn gastheer tijdens dat bezoek. Toen het tijd was om naar huis te gaan naar de VS, gaf dhr. de Beer mij een met de hand getekende kopie van het klavier voor het Fokker-orgel. Hij vertelde me dat het door Dr. Fokker was getekend. Wat dhr. de Beer mij gaf, was niet ingelijst. Het was eenvoudig opgerold en ik geloof dat het met vetkrijtjes was getekend. Toen ik thuiskwam in St. Louis, Missouri, liet ik het inlijsten door een professioneel kunstlijstbedrijf, zodat het beter bewaard zou blijven. Het is tot op de dag van vandaag in mijn bezit gebleven. Ik ben nu met pensioen en heb geen manier om dit unieke artefact op de juiste manier op te bergen. Ik zou graag de tekening van Prof. Fokker van het klavier voor het 31-toons pijporgel als donatie aan uw organisatie willen aanbieden.”
“Over mijn bezoek aan Haarlem in 1978. Mijn vrouw Jan was met mij mee op reis. We brachten de maand juni door in Haarlem en hadden de kans om andere musici te ontmoeten. Meestal bood Anton de Beer ons onderdak bij hem thuis. Maar we werden ook een paar dagen opgevangen door Jeanne Vos en Bouw Lemkes en hadden een heerlijke tijd bij hen in Utrecht. We brachten ook drie dagen door bij mevrouw Fokker. Wat een lieve, gracieuze dame en wat een prachtig huis. We brachten het grootste deel van een dag door bij Henk en Hetty Badings en ontmoetten hun huisdieren, de pauwen. Het was een eer om meneer Badings te ontmoeten, aangezien hij compositieles had gegeven aan Will Bottje, een van mijn docenten op de universiteit.
Al met al was het een geweldig bezoek. Ik kreeg niet alleen geweldige praktische ervaring met het 31-toonsorgel, ik bracht ook tijd door met geweldige musici die advies konden geven over het beoefenen van 31-toonsmuziek.”
“In de tussentijd heb ik onze online gesprekken met mijn vriend en collega, Dr. Kendall Stallings. Hij en ik werkten vele jaren samen aan de Webster University en samen hielpen we microtonale muziek te introduceren in het curriculum van Webster. De muziekafdeling had een archifoon gekregen als donatie van de toenmalige president van het college, Dr. Leigh Gerdine. Dr. Stallings bracht ook tijd door in Haarlem en had de gelegenheid om Prof. Fokker te ontmoeten. Hij kende ook Anton de Beer en Bouw Lemkes.”
Nina Simone verbaast zich over de neutrale terts van het 31-toonsorgel
Tussen 1965 en 1968 trad Nina Simone drie keer op in Nederland. In een van deze jaren bracht zij een bezoek aan het 31-toonsorgel in het Teylers Museum te Haarlem. Frits van der Waa schreef hier in de Volkskrant van 11 december 1987 over: “Later troonde (Adriaan) Fokker eens Nina Simone mee naar de Spaarne-oever, en demonstreerde (Anton) De Beer haar de spelprincipes van de nauwluisterendheid. De befaamde zangeres reageerde verbouwereerd; voor het eerst in haar leven hoorde ze echte blues-tertsen op een westers toetsinstrument.” En zijn oud-collega Roland de Beer schreef ons in 2024 over zijn vader Anton de Beer (Fokker-organist tussen circa 1952 en 1989) het volgende: “Anton vertelde me over een bezoek van Nina Simone aan het 31-toonsorgel, eveneens in de jaren 60. De grote zangeres en pianiste toonde zich opgetogen dat een ‘blue note’ nu gewoon gespeeld kon worden door een toets in te drukken, bijv. tussen de As en de A als je muziek speelde in F. En inderdaad: zo’n toets was blauw!”
Nina Simone, artiestennaam van Eunice Kathleen Waymon (Tryon, 21 februari 1933 – Carry-le-Rouet, 21 april 2003), was een Amerikaanse singer-songwriter, pianiste en tevens burgerrechtenactiviste. In haar muziek zijn naast jazz ook de invloeden van klassieke muziek, blues, reggae, soul en rhythm-and-blues te horen. Daarom was Nina Simone verbijsterd door de pure neutrale tertsen op het 31-toonsorgel die zij uit de blues kende, maar op de piano niet kon spelen door de beperkingen van de 12-toons gelijkzwevende stemming. Deze muzikale ontmoeting zal haar een prachtige herinnering aan Nederland hebben opgeleverd. Het land waar zij trouwens, na onenigheid met managers, platenmaatschappijen en de belastingdienst (waar zij door de Vietnamoorlog een conflict mee had) en na jarenlange omzwervingen, tussen 1988 en 1992 woonde, op uitnodiging van haar goede vriend Gerrit de Bruin. Eerst in Nijmegen en daarna ook nog in Amsterdam.
Godfried Bomans vertelt Wim Sonneveld over ‘de 31-toonsoort’
Op een grammofoonplaatje uit 1962 met daarop een interview tussen de roemrijke Nederlandse komieken Wim Sonneveld (onwetende interviewer) en Godfried Bomans (fictieve arrogante componist) komt plotseling op komische wijze de 31-toonsstemming aan bod (per abuis ’31-toonsoort’ genoemd). In de tekst over dit geestige interview staat op de hoes van het grammofoonplaatje het volgende door Willem Duys beschreven:
‘Het gebeurde op een kille winterdag jongstleden juli. […] Tot onze verbazing zette Bomans zich achter de vleugel om daar ogenblikkelijk zijn fijn toucher en lees-routine te demonstreren. Sonneveld (die zang heeft gestudeerd) verhief zijn stem en het ene lied volgde het andere. En toen zei Bomans opeens: “als ik nou eens de rol vertolk van een onuitstaanbaar eigenwijze componist en jij speelt een oliedomme interviewer… zou dat geen gekke resultaten opleveren?” Waarop het vraag- en antwoordspel prompt begon en ik stilletjes de tape-recorder aanzette, om maar niets te verliezen van de golf pure waanzin die nu over ons heenspoelde. Er was een verhandeling over de fictieve componist Spark (“denk maar aan de Willem Sparkweg!”), over een menuet voor bij het ontbijt (“menuet = klein menu”)…over Bomans’ eigen werken (“38 symfonieën, elk 5 minuten, ik zoek het in concieze krachtexplosies”)…over de smart zonder welke men niet creëren kan (“OCW heeft bij Uddel een speciaal gebouw voor componisten laten inrichten, het zogenaamde ‘Leed-huis’, waar sombere lectuur ligt en men van 8 tot 10 intensief kan lijden”)…over nieuwe namen: Willem Friedemann Sonneveld en Godfried Amadeus Bomans. Later, op 23 juli, heeft een kleine schare genodigden de opnieuw geïmproviseerde herhaling van deze zotternij in het Minerva-Paviljoen mogen bijwonen.’
Over deze memorabele sketch schreef Roland de Beer het volgende in een e-mail: “In 1962 verscheen een grammofoonplaatje met de titel ‘Wim Sonneveld interviewt Godfried Bomans’. Bomans speelt voor muziekgenie, Sonneveld is de ondervrager. Op zeker moment gaat het over een ‘motief of thema’. Bomans voorziet het melodietje al pianospelend van een begeleiding die nergens op slaat. Bomans; ‘U denkt dat dat vals was?’ (publiek lacht). Nu komt het. Bomans zegt: ‘Maar meneer Sonneveld, wat ik gespeeld heb, was in…het 31-toon…soort. Dus dat zijn tussennoten.’ Het grappige zit ‘m voor ons natuurlijk in Bomans’ aarzeling m.b.t. de woordjes ‘het’ en ‘soort’. De gevatte taalkunstenaar kon even niet op de woorden ‘stemming’ of ‘systeem’ komen. De grap wijst er wel op dat het fenomeen 31-toonsmuziek (incl. ’tussennoten’) in die tijd goed bekend was bij Haarlemmers van een zekere eruditie. Anton (de Beer) was enorm in zijn schik met het plaatje. Hij draaide het met groot genoegen en liet het vaak aan anderen horen.”
Het betreffende ‘interview’ is op YouTube terug te horen (vanaf 5 min. 22 sec.) of hieronder als fragment te beluisteren:
Pierre Boulez bezoekt het Fokker-orgel (door Paul Christiaan van Westering)
Uit ‘De mens achter de musicus’ (1965) van Paul Christiaan van Westering:
“Ik
vertelde Boulez van het 31-toonsorgel in het Teylers Museum te Haarlem, dat Prof. Fokker bij de Alkmaarse orgelbouwer Pels heeft laten vervaardigen. Dit instrument bevat 31 tonen in het octaaf en steunt op de theorieën van Christiaan Huygens. Boulez stelde direct voor daar een bezoek te brengen en dan maar meteen de volgende morgen om 11 uur.
De componist verscheen punctueel op tijd. Hij had nog een Parijse dame meegebracht (Boulez is vrijgezel), die ook bijzonder in het instrument geïnteresseerd bleek. Bij de eerste kwint die ik in drieën deelde (Balinese toonladder met 6/5 secunden) stond hij te springen van enthousiasme. Hij kon maar niet genoeg krijgen van alle fijne toonschakeringen, terwijl hij juichte bij de zuivere tertsen. Hij keek me de kunst af en raakte niet uitgevraagd over de technische mogelijkheden van het instrument. Tenslotte ging hij zelf achter het gecompliceerde klavier met zijn witte, zwarte en blauwe toetsen zitten en al spoedig strooide hij zijn reeksen in het rond. Op het hulpklavier speelde hij mijn variaties over ‘Merk toch hoe sterk’ voor de vuist weg van het blad, terwijl hij ondertussen hardop berekeningen maakte om de harmonieën te controleren. Daarna waren we werkelijk vrienden. We brachten samen een bezoek aan het Frans Hals Museum en liepen daar afwisselend te genieten of kwajongensopmerkingen te maken. Boulez had mij een uitgebreid diner bij Brinkmann op de Grote Markt toegezegd en we waren wel aan een hapje toe.” (voorjaar 1960)
Bekijk de betreffende pagina’s met de bovenstaande tekst in het boek van Paul van Westering:
Paul van Westering spreekt met Pierre Boulez over het Fokker-orgel in het voorjaar van 1960.
Aanvulling door Roland de Beer: “Opmerkelijk is dat er in 1960 al jaren niets meer uit de componerende of spelende vingers kwam van Van Westering op 31-toonsgebied. Anton de Beer was namelijk al sinds ca. 1952 de vaste bespeler van het orgel. En interessant is het moment van Pierre Boulez’ bezoek aan Teylers. Boulez was in februari 1960 in Nederland om zijn dirigeerdebuut te maken bij het Concertgebouworkest, als invaller voor zijn ziekgevallen mentor Hans Rosbaud. Op het programma stonden ‘Le Chant du Rossignol’ van Igor Strawinsky en ‘De wonderbaarlijke mandarijn’ van Béla Bartók, in combinatie met werk van Haydn en Debussy, geprogrammeerd door Marius Flothuis. Van een 31-toonscompositie die Boulez aan Van Westering zou hebben beloofd is het helaas niet meer gekomen.”
Nicolaas Kroese wil met het 31-toonssysteem de wereld verbeteren
Nicolaas Kroese (1905-1971) was een Amsterdamse horecaondernemer, vooral bekend als oprichter van restaurant d’Vijff Vlieghen in 1939. Hij stond bekend om zijn excentrieke persoonlijkheid en creatieve publiciteitsstunts, zoals zijn reis naar New York met een kooi met vijf koperen vliegen om zijn restaurant te promoten. In de jaren zestig raakte Kroese betrokken bij pseudowetenschappelijke ideeën en streefde hij naar wereldvrede en het oplossen van het wereldvoedselprobleem. Kroese’s leven weerspiegelde een combinatie van ondernemerschap, excentriciteit en een streven naar maatschappelijke verbetering. In die laatste rol ontdekte hij ook de 31-toonsstemming, waardoor hij een tijd lang een terugkerend gezicht was bij de concerten rond het Fokker-orgel in de aula van het Teylers Museum te Haarlem. Roland de Beer schreef er het volgende over:
“Nicolaas Kroese was restaurantbaas, kabbalist en profeet van de wereldvrede. Kroese overleed in 1971, maar zijn restaurant d’Vijff Vlieghen bestaat nog. Kroese was een van de kleurrijke Amsterdammers van de jaren vijftig. Zijdelings gelieerd aan Provo, al voordat de beweging zo heette (hij was bevriend met Robert Jasper Grootveld). Zijn restaurantwinsten besteedde hij naar het schijnt aan ellenlange telegrammen die hij (bij honderden) verstuurde naar staatshoofden en vooraanstaande wetenschappers aller landen. Zijn plan was honger en oorlogen de wereld uit helpen door de aardbol te omspannen met een netwerk van goud- of koperdraad dat, als ik het goed heb onthouden, o.a. de groei van gewassen moest bevorderen. Het grootste gevaar voor de mensheid lag immers – volgens Kroese – in ’31 destructieve kosmische energieen’. Een nieuwe wereld-wiskunde, gebaseerd op priemgetallen, moest het antwoord zijn. Toen Kroese eenmaal lucht kreeg van het bestaan van een 31-toonsorgel was hij er natuurlijk als de kippen bij. Hij verscheen op concerten in Teylers en werd door Anton op een privébespeling onthaald. Ongetwijfeld heeft Kroese geprobeerd Adriaan Fokker te betrekken in zijn theorie dat 31-toonsmuziek een heilzame uitwerking zou hebben op de wereldvrede. Ik vermoed dat Kroese geen succes had met dit onderdeel van zijn campagne. Ikzelf was te jong om de betekenis van Nicolaas Kroese te kunnen bevatten, en herinner me alleen de aanwezigheid in Teylers (rond 1960/1962) van een immens dikke bezoeker met grijs krullend haar, over wie enigszins lacherig werd gedaan.”
Lees meer op de website van Ons Amsterdam meer over Nicolaas Kroese.
Albert Einstein en Adriaan Fokker: een vruchtbare samenwerking
Wat slechts weinig mensen weten is dat Albert Einstein (1879-1955) en Adriaan Fokker (1887-1972), de latere voorvechter van de 31-toonsmuziek, samen een uitgebreid wetenschappelijk artikel hebben geschreven dat in de vorm van een paperback is gepubliceerd, met als titel: Die Nordströmsche Gravitationstheorie vom Standpunkt des absoluten Differentialkalküls. Op de kaft staat verder ‘Überreicht von den Verfassern ‘ (gepresenteerd door de auteurs) en ‘Separat-Abdrück den Annalen der Physik’ (afzonderlijke afdruk van de Annalen der Fysica). De publicatie komt uit de vierde editie van volume 44 van dit natuurkundige tijdschrift en is in 1914 in Leipzig uitgegeven. In dit artikel vinden we de zogenaamde Fokker-Einsteinrelatie die het verband aangeeft tussen de beweeglijkheid van deeltjes en hun diffusieconstanten (die grootheden zijn evenredig; de constante die ze verbindt is het product van de ‘constante van BoItzmann’ en de temperatuur). Maar Fokker heeft niet alleen schriftelijk met Albert Einstein samengewerkt. In het wintersemester van 1913-1914 verbleef hij namelijk in Zürich waar hij (na zijn promotie) bij Einstein voor onderzoek werkzaam was, om vervolgens in de zomer van 1914 door te reizen naar Engeland voor studies in Manchester en Leeds. Tijdens dit semester is de publicatie over de Fokker-Einsteinrelatie van beide wetenschappers tot stand gekomen. Dat Fokker en Einstein dezelfde interesses binnen de natuurkunde hadden is overigens evident. Fokker schreef immers twee boeken en talloze artikelen over de speciale en de algemene relativiteitstheorie, die belangrijke bijdragen bleken te zijn. De titels van deze boeken, die hij na deze periode schreef, zijn Relativiteitstheorie (1929) en Tijd en Ruimte, Traagheid en Zwaarte (1960). Fokkers grootste belangstelling ging uit naar de problemen van de relativiteitstheorie, alhoewel hij liever sprak van ‘chronogeometrie’. In 1927 gaf Adriaan Fokker zelfs een oplossing voor het probleem van de definitie van het zwaartepunt van een stelsel van twee vrije deeltjes in de relativiteitstheorie. Zijn veel later geschreven werk Chronogeometrische inleiding tot Einstein’s theorie uit 1960 was overigens een meer filosofische studie naar deze beroemde theorie van Einstein.
Of Fokker (op de foto tweede van rechts) en Einstein (op de foto geheel rechts) elkaar ook buiten de natuurkunde vonden, zoals in hun liefde voor muziek, is niet met zekerheid te zeggen. Wel is het zeker dat Albert Einstein verdienstelijk viool speelde en hier een grote passie voor had, net als voor de piano. Ook Fokker kon aardig pianospelen en nam na 1950 met grote regelmaat plaats achter de toetsen van ‘zijn’ 31-toonsorgel in het Teylers Museum te Haarlem. Deze interesses lijken logisch, omdat veel wiskundigen en fysici geïntrigeerd zijn door muziek, aangezien hierin dezelfde principes als in de natuurkunde terug te vinden zijn.
Afgezien van het feit dat er veel gedeelde interesses waren tussen de heren, is het onduidelijk hoe Adriaan Fokker bij Einstein terechtkwam. Het lijkt logisch dat dit contact toentertijd via de docenten van Fokker is verlopen. Albert Einstein kwam echter in 1911 op uitnodiging van de filosofische studentenfaculteit voor het eerst naar Leiden. Samen met zijn vrouw Mileva Marić logeerde hij toen bij de Leidse natuurkundige Hendrik Antoon Lorentz (1853-1928), die aan de Hooigracht woonde. In die tijd studeerde Adriaan Fokker natuurkunde aan de universiteit van Leiden (1906-1913), waar hij met Hendrik Lorentz als zijn promotor op 24 oktober 1913 promoveerde op zijn proefschrift Over Brown’sche bewegingen in het stralingsveld, en waarschijnlijkheids-beschouwingen in de stralingstheorie. Fokker kwam dus reeds in 1911 voor het eerst in contact met Einstein, die volgens Fokker toen in een klein auditorium een lezing gaf over de ‘brownbeweging’.
Vanaf 1920 schiep het Leidse universiteitsfonds een bijzondere leerstoel voor Einstein en kwam hij als gasthoogleraar jaarlijks een maand naar Leiden om onder meer colleges te geven, weg uit het indertijd roerige Berlijn. Hier ontmoette hij zijn collega’s en vrienden, onder wie Heike Kamerlingh Onnes, Hendrik Lorentz en de Oostenrijks-Nederlandse fysicus Paul Ehrenfest (op de foto links van Fokker), die een boezemvriend van Einstein was en bij wie hij vaak logeerde in de Witte Rozenstraat. Met hen voerde hij diepgravende discussies over zijn ideeën en theorieën. Albert Einstein kwam graag naar Leiden, alleen al omdat hij een groot bewonderaar was van Nobelprijswinnaar (1902) Hendrik Lorentz, die tot de grootste wetenschappers uit de Nederlandse geschiedenis behoort en wiens beste leerling Adriaan Daniël Fokker rond die tijd was, getuige het feit dat Lorentz hem in 1927 als zijn opvolger aanwees als curator van het fysisch kabinet in het Teylers Museum en Fokker in 1928, na diens overlijden, zijn bijzonder hoogleraarschap in de natuurkunde aan de universiteit van Leiden overnam. De stad Leiden omschreef Einstein later als “dat verrukkelijke plekje grond op deze dorre aarde”, waaruit duidelijk zijn liefde voor Leiden en Nederland bleek.
Terug naar 1913-1914 en de Eidgenössische Technische Hochschule Zürich (ETH) aan de Rämistrasse 101 om precies te zijn, waar Adriaan Fokker vlak voor de Eerste Wereldoorlog bij Einstein studeerde, zoals dat in zijn biografieën wordt vermeld. In deze periode werkte Albert Einstein reeds intensief aan zijn algemene relativiteitstheorie. Maar in hoeverre was er tijdens deze ‘studie’ sprake van een leraar en leerling verhouding? Of hadden de werkzaamheden meer het karakter van een onderzoeksstage en waren Einstein en Fokker eigenlijk meer collega’s? Qua leeftijd scheelden zij slechts een kleine 8,5 jaar en waren zij dus bijna van dezelfde generatie. Ook deden zij op gelijkwaardige wijze gezamenlijk onderzoek, waaruit in 1914 o.a. de publicatie Die Nordströmsche Gravitationstheorie vom Standpunkt des absoluten Differentialkalküls voortkwam en daarmee de Fokker-Einsteinrelatie. Overigens had Adriaan Fokker eerder dat jaar al een belangrijke publicatie afgeleverd ter afsluiting van zijn doctoraat in Leiden. Dit artikel, Die mittlere Energie rotierender elektrischer Dipole im Strahlungsfeld (1914), bevat een differentiaalvergelijking die in 1917 werd overgenomen en uitgewerkt door de Duitse fysicus Max Planck (1858-1947). De ‘Fokker-Planck vergelijking’ (Engels: Fokker-Planck equation) speelt sindsdien een belangrijke rol in de statistische mechanica en kan bij een groot aantal problemen die op de ‘Brownse beweging’ betrekking hebben worden toegepast. Het was daarom niet voor niets dat Adriaan Fokker al in zijn jonge jaren respect afdwong. Het is zelfs aannemelijk dat Einstein reeds voordat Fokker naar Zürich afreisde een hoge pet van zijn nieuwe medewerker op had, waarna zij in deze stad als collega’s natuurkundig onderzoek hebben verricht, wat in een vruchtbare samenwerking resulteerde.
Nadat Fokker bij Einstein had gewerkt, naar Engeland was geweest en zijn militaire dienst tijdens de Eerste Wereldoorlog in het neutrale Nederland had vervuld, was hij tussen 1917 en 1919 assistent bij Lorentz en Ehrenfest aan de universiteit van Leiden, waar hij in 1928 bijzonder hoogleraar werd. Tussendoor, op 26 september 1923, toen Fokker sinds een half jaar hoogleraar in de theoretische en toegepaste natuurkunde aan de Technische Hoogeschool te Delft was, werd de bovenstaande groepsfoto met vooraanstaande natuurkundigen op de veranda van de sterrenwacht in Leiden gemaakt, met daarop van links naar rechts Willem de Sitter, Ejnar Hertzsprung, Arthur Eddington, Paul Ehrenfest, Adriaan Fokker en niemand minder dan Albert Einstein.
Vele jaren later in 1955, toen Fokker zich al jaren als curator van het fysisch kabinet in het Teylers Museum op de muziek en de 31-toonsstemming van Christiaan Huygens had gestort, schreef hij een heel persoonlijke verhandeling in het Nederlands Tijdschrift voor Natuurkunde (volume 2, editie 5 van 1955) over Albert Einstein naar aanleiding van diens overlijden, waarin men de visie van Adriaan Fokker op de filosofie van de relativiteitstheorie en de levenshouding van deze beroemde natuurkundige gebundeld vindt. Hij schrijft hierover het volgende over Einstein: “De herinnering dwaalt naar lang vervlogen jaren. Hoe zag hij er ook weer uit ? Ogen onder open-ronde wenkbrauwen. Een kleine mond onder een korte snor. Lang geknipte haren. Als hij nadacht kon hij daaraan zitten trekken. In het gesprek gingen dan, als hij op een idee kwam, de wenkbrauwen ver omhoog, de lippen tot een tuit samengetrokken. Was het een grapje, dat er voor den dag kwam, dan lachte hij goedmoedig vergenoegd na: hòh-hòh-hòh! Het waren geen bijtende grapjes; hij zei wel graag een stoutigheid, maar ’t was altijd dood-goedig. Hij was een zachtmoedig man, eenvoudig, gevoelig, trouwhartig, onbevangen, soms op het naieve af. […] Hij was wars van pedanterie of zelfvoldaanheid, eerder nederig, ronduit eerlijk. Dat wil niet zeggen, dat hij er niet gevoelig voor was, en niet erkende het prettig te vinden, wanneer hij merkte, dat onbekende mensen hem met achting bejegenden, indien zij gewaar werden, dat hij Einstein was. Toch schijnt hij tegen de roem wonderlijk bestand geweest te zijn. De ongebreidelde bewondering van de grote wereld heeft menig sterk karakter bedorven en vernield, maar niet Einstein. Hij bleef eenvoudig. En in zijn argeloosheid een gemakkelijke prooi voor mensen, die daarvan misbruik maakten, maar dat weet ik slechts van horen zeggen.
Zijn ware hartstocht lag in het doorgronden van het raadsel der onmetelijke wereld, die buiten en boven het geharrewar en het gewriemel van persoonlijke belangen, gevoelens en driften der mensen stond. Dat nadenken troostte hem toen hij de voze schijnheiligheid van de gangbare fatsoenlijke idealen had doorzien. Als een bevrijding uit een aardse gevangenis lokte hem de beschouwing van die buitenpersoonlijke werkelijkheid, en daarin, schrijft hij in zijn autobiografie, is hij nooit teleurgesteld geworden. Om kleine successen, die de ijdelheid strelen, gaf hij niet veel. Neen, zei hij mij eens gedurende een wandeling, het moet een grote vis zijn, al zou men zich daaraan kapot moeten denken! Toen hij dat zei, had hij de drie grote vissen van 1905 al binnen, de brownbeweging, de lichtquanta, de relativiteit der eenparige translaties; het was eind 1913. De allergrootste vis, de theorie der gravitatie als algemene relativiteitstheorie, moest nog opgehaald worden.” Adriaan Fokker sluit af met: “Hij was mens als wij, maar in zijn nietigheid als sterfelijk mens heeft hij ons een grootse eeuwigheid geopenbaard.” (Sander Germanus, 31 december 2024)
