Microtonen
Wat is microtonale muziek?
Het begrip microtonale muziek is een algemene term voor muziek waarin gebruik gemaakt wordt van microtonen; intervallen kleiner dan een halve toon. Het staat voor muziek die op enigerlei wijze afwijkt van de traditionele Westerse toonsverhoudingen. Het is een cultuurhistorisch begrip en vertegenwoordigt een markante verzameling van historische en hedendaagse muzikale stromingen, die zich op verschillende wijzen met succes heeft weten te ontdoen van de grenzen van de gelijkzwevende stemming met twaalf tonen per octaaf, de stemming die de westerse muziek sinds de achttiende eeuw op eenzijdige wijze heeft gedomineerd. Microtonale muziek laat de westerse componist, musicus en luisteraar de mogelijkheden en onmogelijkheden van het muzikale toonstelsel horen en verandert de kijk op het twaalftonige stelsel.
‘Microtonale muziek’ is een verzamelnaam voor een aantal uiteenlopende muzieksoorten die gebruik maken van toonstelsels die afwijken van wat gangbaar is in de westerse muziek. Het normale westerse toonstelsel kan men zich het beste voorstellen aan de hand van het piano-klavier: van het ene octaaf naar het andere zijn steeds twaalf toetsen aanwezig, die even zoveel toonhoogten of tonen produceren. De afstand van de ene toets/toon naar de volgende noemt men een ‘halve toon’; twaalf van die halve tonen maken samen een octaaf vol. In de microtonale toonsystemen is dat anders. Om van een bepaalde toonhoogte te komen op een toonhoogte die een octaaf hoger ligt, moeten meer, en vaak veel meer dan twaalf stapjes of treden doorlopen worden. Dat betekent, logischerwijze, dat de afstand van een toonhoogte tot de eerstvolgende toonhoogte kleiner is dan in het gewone twaalftonige systeem. Een dergelijke kleinere afstand noemt men een ‘microtoon’, of wat eigenlijk een beter woord zou zijn, een ‘microinterval’, zoals onder anderen de Fransen dit noemen.
Er zijn talrijke methoden om met microtonen muzikale toonsystemen te bouwen. Min of meer bekende systemen zijn het kwarttoonssysteem (waarbij het octaaf wordt verdeeld in 24 kwarttonen) en het 31-toonssysteem (waarbij het octaaf wordt verdeeld in 31 kleine stapjes, die diëzen worden genoemd). Maar er zijn nog talloze andere systemen, bijvoorbeeld met 19, 43 en 53 tonen per octaaf. Voor de nu genoemde systemen geldt dat ze op een bepaalde manier nog een relatie hebben met het gewone, 12-tonige systeem en dat ze daarom in een aantal opzichten nog vrij vertrouwd in de oren klinken. Maar men kan ook andersom te werk gaan door een willekeurig microtonaal systeem te kiezen, de mogelijkheden daarvan wat betreft toonladders, intervallen en akkoorden te onderzoeken en die te benutten in een muzikale compositie.
Waarom microtonale toonsystemen?
Waarom zou men (ingewikkelde) microtonale toonsystemen kiezen, terwijl de westerse muziek al eeuwenlang gefloreerd heeft met het relatief eenvoudige twaalftonige systeem? Het antwoord op deze vraag is tweeledig. In de eerste plaats schept de microtonale muziek veel verfijndere nuances wat betreft toonhoogten, intervallen en akkoorden en kan het een verfrissing zijn deze nieuwe klanken en harmonieën te benutten in muzikale composities. In de tweede plaats – en dat aspect is nog niet genoemd – kunnen in sommige microtonale systemen bepaalde traditionele intervallen veel zuiverder gerealiseerd worden dan in het twaalftonige systeem, dat door zijn beperktheid in een aantal opzichten een compromis wat betreft de zuiverheid moet sluiten. Microtonale systemen die op dit laatste uitgangspunt gebaseerd zijn noemt men reine stemmingen of zuivere intonaties. Deze reine stemmingen zijn dikwijls zeer ingewikkelde systemen, die ook kunnen leiden tot de bouw van nieuwe instrumenten.
Wat is vals?
Wat vals klinkt en wat niet is vaak slechts een kwestie van gewenning. Iets klinkt vals als het onzuiver is, maar wat zuiver is is een kwestie van afspraak, van een bepaalde norm. Het is een afspraak van een bepaalde groep mensen in een bepaald cultuurgebied. Hoe langer die norm als waarde geldt, hoe meer men gaat geloven dat het de enig ware norm is, net een soort natuurwet. Bijvoorbeeld in de 16e eeuw was men gewend aan de middentoonstemming, en vond men de gelijkzwevende stemming erg vals klinken. Nu we daar aan gewend zijn, moeten we soms weer aan het aparte karakter van de middentoonstemming wennen.
Geen nieuwe stijl
Microtonale muziek is geen bepaalde stijl in de muziek. Microtonaliteit betreft slechts het materiaal waarmee componisten werken. Maar door het gebruik van microtonale toonsystemen ontstaat meestal wel muziek met een geheel nieuwe klank, die niet ondergebracht kan worden onder de gangbare noemers van de muziek van de 20ste en begin 21ste eeuw. Overigens, al zijn de meeste microtonale werken in deze periode geschreven (met name vanaf circa 1920), een klein aantal is al van veel oudere datum, waarbij we terug kunnen gaan tot de zestiende eeuw. In deze eeuw waren het theoretisch geïnteresseerde componisten, die in hun pogingen het Griekse enharmonische tetrachord te reanimeren de eerste microtonale muziek schreven, als we de oude Grieken zelf even buiten beschouwing laten; van die muziek is vrijwel niets bewaard gebleven.
Op een gewone piano is het niet mogelijk microtonale muziek te maken, tenzij men het instrument drastisch herstemt. Op de meeste blaasinstrumenten is microtonaliteit toepasbaar met behulp van speciale blaastechniek en vingergrepen. Voor de zangstem, de strijkinstrumenten en de trombone zijn microtonen vooral een kwestie van oefening; deze instrumenten kunnen immers alle gewenste toonhoogten voortbrengen. Maar waar de microtonale muziek zich het best bij voelt zijn natuurlijk de microtonale muziekinstrumenten, instrumenten met een groot aantal toetsen, snaren, pijpen, enzovoorts, elk voor een bepaalde toonhoogte gestemd. En uiteraard is in de wereld van de synthesizer en de computermuziek ook alles mogelijk wat betreft microtonen.
Welke muziek noemt men microtonale muziek?
De interpretaties van wat ‘microtonale muziek’ is variëren nog wel eens. De meest letterlijke definitie is muziek met toonafstanden die kleiner zijn dan de westerse ‘halve toon’. Dit kunnen bijvoorbeeld kwarttonen, vijfde tonen, zesde tonen, achtste tonen, twaalfde tonen en zestiende tonen zijn. Een bredere definitie die tegenwoordig wordt gebruikt is muziek met intervallen die niet gebaseerd zijn op de 12-toons gelijkzwevende stemming. Dit kunnen ook grotere intervallen dan halve tonen zijn, voortkomend uit een toonsysteem met minder dan 12 tonen in het octaaf of voortkomend uit een modus met minder dan 12 tonen, gebaseerd op een toonsysteem met meer dan 12 tonen in het octaaf, of voortkomend uit zuivere stemmingen zoals ‘Just Intonation’ of stemmingen uit de renaissance. Al deze intervallen vallen volgens deze definitie onder de categorie microtonaliteit. In tegenstelling tot wat veel mensen denken is een microtoon overigens niet hetzelfde als een kwarttoon. De algemene term ‘microtoon’ is een onderdeel van de microtonaliteit, wat een verzamelnaam is, waaronder ook de kwarttoon valt.
In de klassieke muziek komen vaker microtonen voor dan men wellicht in eerste instantie zou denken. Denk bijvoorbeeld aan vibrato, glissando, kleine intonatie-aanpassingen door strijkers en microtonale versieringen door zangers. Toch maakt dit van die muziek geen microtonale muziek. Dit is wel het geval als er een microtonaal toonstelsel aan ten grondslag ligt. We noemen een toonstelsel daarom microtonaal als het intervallen bevat die kleiner zijn dan een kleine secunde (halve toon), of geen veelvoud hiervan zijn, met andere woorden: “tussen de pianotoetsen vallen”. Dus het toonstelsel hoeft niet noodzakelijkerwijs meer dan 12 tonen te bevatten.
Veel niet-westerse muziek is microtonaal: traditionele en klassieke muziek uit India, Turkije, Arabië en Perzië, gamelanmuziek uit Indonesië, xylofoonmuziek uit Afrika, Byzantijns liturgische muziek, vocale volksmuziek uit Midden- en Oost-Europa, de Kaukasus, enz. Westerse microtonale muziek is echter vaak experimenteel.
Meer over microtonaliteit
- Lees ook het artikel van Paul Rapoport (in het Engels) over het 31-toonssysteem in het online archief.
- Duik in ons online archief en leer meer over oude stemmingen, zoals Werckmeister III.
- Op of via de pagina Tuning & temperament bibliography in ons online archief kunt u veel meer artikelen lezen over microtonaliteit.

Vroeg voorbeeld van een afwijkende verdeling van de toon, oftewel een vroege vorm van microtonaliteit: de verdeling van de hele toon in 5 stappen (in plaats van de gebruikelijke twee), door Fabio Colonna, 1618. Lees hier ook over o.a. de cembalo cromatica.
Literatuur
Literatuur over microtonaliteit en toonsystemen in het online archief
- Bakker, Pieter: Andreas Werckmeister. Die historische Einordnung seiner Schriften, 1998. Engelse vertaling van Pleuke Boyce Andreas Werckmeister. The Historical Positioning of his Writings, 2015.
- Bakker, Pieter: Harmonische getallen. De muziektheorie van Andreas Werckmeister, 2012
- Bakker, Pieter: Harmonische Zahlen Die Musiktheorie des Andreas Werckmeister, 2013
- Bakker, Pieter: Proportionen. Ein Fall von Serendipität in der Musikforschung, 2014
- Bakker, Pieter: Postmodern Numbers. Ruth Tatlow on Proportions in the Written Music of Johann Sebastian Bach, 2015
- Belder, Pieter-Jan: Toelichting bij concert “Anders gestemd: Werckmeister III”, 1991
- de Beer, Anton: The Development of 31-tone Music, 1965
- van Dijk, Marian: Hollands dilettantisme! Het muzikale gedachtengoed van professor Fokker, 1996
- Dijksterhuis, E.J.: Adriaan Fokker: Rekenkundige bespiegeling der muziek (bespreking), 1946
- Fokker, Adriaan: Het muzikale toonstelsel van Christiaan Huygens, de normale diëzenstemming, 1942
- Fokker, A.D. en Martin Lürsen: Radio-uitzending Euler-orgel (audio), lezing met muzikale voorbeelden, Haarlem, Nov 1945, 30 min., 28 MB.
- Fokker, Adriaan: Les Mathématiques et la musique, hoofdstuk IV, 1947
- Fokker, Adriaan en Jan van Dijk: Expériences musicales avec les genres musicaux de Leonhard Euler contenant la septième harmonique, 1949
- Fokker, Adriaan: De middentoonstemming gedemonstreerd, 1949
- Fokker, Adriaan: Just intonation and the combination of harmonic diatonic melodic groups, Martinus Nijhoff, Den Haag, 1949
- Fokker, Adriaan: De behoefte aan grotere nauwkeurigheid in de muzikale notatie der toonhoogte, 1953
- Fokker, Adriaan: Equal Temperament and the Thirty-one-keyed Organ, 1955
- Fokker, Adriaan: Unesco-lezing over het 31-toonsysteem (in Frans), 1958 (MP3, 5 MB)
- Fokker, Adriaan: Optelakkoorden, 1960
- Fokker, Adriaan: Oor en Stem. Bundel solfège-oefeningen met harmonischen aan de nagedachtenis van Willem Pijper en Martinus Lürsen, 1963
- Fokker, Adriaan: Met verjongde oren, 1964
- Fokker, Adriaan: New Music with 31 Notes, 1966. Engelse vertaling van Leigh Gerdine, 1975.
- Fokker, Adriaan (ed.): Simon Stevin’s views on music, 1966
- Fokker, Adriaan: On the Expansion of the Musician’s Realm of Harmony, 1967
- Fokker, Adriaan: Unison vectors and periodicity blocks in the three-dimensional (3-5-7) harmonic lattice of notes, 1969
- Gibelius, Otto: Propositiones Mathematico-Musicae, 1666. Moderne uitgave van Pieter Bakker (ed.), 2007
- Harlow, Randall: Recent Organ Design Innovations and the 21st-century “Hyperorgan” met voorbeelden, 2011
- Huygens, Christiaan: Lettre touchant le Cycle Harmonique, 1691
- Kroesbergen, Willem en Andrew Cruickshank: 18th Century Quotes on J.S. Bach’s Temperament, 2013
- Kroesbergen, Willem en Andrew Cruickshank: Blankenburg: Equal or unequal temperament during J.S. Bach’s life, 2014
- Kunst, Jaap: Teylers muzikale prijsvraag, 1946
- Lambooij, Th.: Klaas Douwes van Tzum (Fr.) en zijn “Grondig onderzoek van de toonen der musyk”, 1953
- Lemkes, Bouw: Over zuivere intonatie. Het levenswerk van prof. A.D. Fokker, 1968
- Loman, A.D.: De zuivere muzikale intuïtie van den toonkunstenaar plus reactie van A.D. Fokker: Over cis en des, 1947
- Pels, B.J.A.: L’orgue accordé en cinquièmes de ton du Musée Teyler a Haarlem, 1950
- Persoons, Indra: Componeren in 13-EDO. Praktijkgericht en theoretisch onderzoek. MA thesis, LUCA School of Arts, University of Leuven, 2022, met bijlage
- Rapoport, Paul: About 31-tone equal temperament, een essay bij Songs of fruit and vegetables, 1987
- Rasch, Rudolf: Adriaan Daniël Fokker (1887-1972): Musicus tricesimoprimalis, 1988
- Rasch, Rudolf: Toelichting bij concert Bob van Asperen op de cembalo chromatico, 1992
- Stevin, Simon: On the theory of the art of singing (Vande Spiegheling der Singconst), 1585, geannoteerde Engelse vertaling van A.D. Fokker (ed.) met inleiding, 1966
- Telemann, Georg Philipp: Letzte Beschäfftigung Georg Philipp Telemanns, im 86sten Lebensjahre, bestehend in einer musikalische Klang- und Intervallen-Tafel, 1767 (met commentaar)
- Terpstra, Siemen: An Arithmetical Rubric attending the distribution of `best’ multiple-divisions, 1993
- Terpstra, Siemen: Toward a theory of meantone (and 31-ET) harmony
- Terpstra, Siemen: An integrated colour-code for microtonal guitar fret-boards, 1998
- Terpstra, Siemen: The set of neutral diatonic modes, 2010
- Terpstra, Siemen: On dominant substitutions, 2010
- Terpstra, Siemen: On chord progressions, 2011
- Toncitch, Voya (Jean-François Grancher): Philosophie de la musique contemporaine. Dialectique du son. Contribution à la recherche, 1975
- Wijmenga, Gjalt: Systematiek projectie intervalreeksen op planimetrie toetsenbord. deel 1, deel 2 en deel 3, 2011
- Wijmenga, Gjalt: The Fringe World of Microtonal Keyboards, 2013
- Wijmenga, Gjalt: Het Indische toetsenbord, 2015
- Wijmenga, Gjalt: De I Tjing van muziek, 2024
Lees meer over onze publicaties in het online archief.
Bekijk het overzicht van internationale publicaties in de Tuning & temperament bibliography.
Lees het vooralsnog eenmalig uitgegeven tijdschrift van Stichting Huygens-Fokker: Thirty-One.
Partituren
Overzicht van partituren
In de bibliotheek en het archief van Stichting Huygens-Fokker bevinden zich naast boeken en documenten ook veel microtonale partituren.
- Een lijst met partituren die fysiek in de bibliotheek aanwezig zijn is hier te vinden in het online archief.
- Klik hier voor een overzicht in het online archief van microtonale partituren die door Diapason Press zijn uitgegeven.
- Een dwarsdoorsnede van composities in 31-toonsstemming is hier in het online archief te vinden.
- Bekijk dit document voor een compleet overzicht van alle composities voor Fokker-orgel of werken voor ensemble met het 31-toonsorgel (door E. Lievonen).
Microtonalisten
Lees meer over microtonalisten
Hieronder een overzicht van componisten, musici en wetenschappers die zich intensief bezig hebben gehouden met microtonaliteit:
- Jean Henri d’Alembert (1717-1783)
- Henk Badings (1907-1987)
- Easley Blackwood (1933-2023)
- Quirinus van Blankenburg (c.1654-1739)
- Joan Albert Ban (1597/8-1644)
- Anton de Beer (1924-2000)
- Heinz Bohlen (1935-2016)
- Robert Halford Macdowall Bosanquet (1841-1912)
- William Brouncker (1620-1684)
- Julián Carrillo (1875-1965)
- John Chalmers (1940)
- Fabio Colonna (c.1567-c.1650)
- Pascale Criton (1954)
- Ghiselin Danckerts (c.1510-1565)
- Ivor Darreg (1917-1994)
- Jan van Dijk (1918-2016)
- Giovanni Battista Doni (1594-1647)
- Klaas Douwes (c.1650-1722)
- Alexander John Ellis (1814-1890)
- Leonhard Euler (1707-1783)
- John Farey (1766-1826)
- Adriaan Fokker (1887-1972)
- Sander Germanus (1972)
- Bob Gilmore (1961-2015)
- Joop van Goozen (1960)
- Alois Hába (1893-1973)
- Hermann von Helmholtz (1821-1894)
- Wim Hoogewerf
- Anthon van der Horst (1899-1965)
- Christiaan Huygens (1629-1695)
- Paul von Jankó (1856-1919)
- Johannes Kepler (1571-1630)
- Hans Kox (1930-2019)
- Jaap Kunst (1891-1960)
- Ton de Leeuw (1926-1996)
- Bouw Lemkes en Jeanne Vos
- Ere Lievonen (1972)
- Martinus Lürsen (1893-1952)
- Joel Mandelbaum (1932)
- Nicolaus Mercator (1620-1687)
- Marin Mersenne (1588-1648)
- Ned McGowan (1970)
- Juhani Nuorvala (1961)
- Harry Partch (1901-1974)
- Claudius Ptolemaeus (c.108-163/8)
- Pythagoras (c.569-c.475 v.C.)
- Jean-Philippe Rameau (1683-1764)
- Paul Rapoport (1948)
- Rudolf Rasch (1945)
- Rafael Reina (1961)
- Johnny Reinhard (1956)
- Alan Ridout (1934-1996)
- Francisco de Salinas (1513-1590)
- Giacinto Scelsi (1905-1988)
- Peter Schat (1935-2003)
- Gottfried Silbermann (1683-1753)
- Richard Stein (1882-1942)
- Simon Stevin (1548-1620)
- Abu Nasr Muhammad Ibn Tarhan al-Farabi (872-950)
- Giuseppe Tartini (1692-1770)
- Siemen Terpstra (1947)
- Nicola Vicentino (1511-c.1576)
- Leo de Vries (1924-2018)
- Andreas Werckmeister (1645-1706)
- Paul Christiaan van Westering (1911-1991)
- Ervin Wilson (1928-2016)
- James Wood (1953)
- Ivan Wyschnegradsky (1893-1979)
- Gioseffo Zarlino (c.1517-1590)
- Jos Zwaanenburg (1958)
Zie hier het volledige overzicht van componisten, musici en wetenschappers in het online archief.
Klik hier voor een overzicht van organisaties voor microtonale muziek in het online archief.
Links naar andere insteressante webpagina’s over microtonaliteit.
Geschiedenis
Een beknopte geschiedenis van de moderne microtonale muziek
De moderne geschiedenis van de microtonaliteit begon logischerwijs met de kwarttoon van het 24-toonssysteem, eenvoudigweg door de halve toon van het gangbare 12-toonssysteem in tweeën te delen. Deze ontwikkeling ontstond niet uit idealisme om een zuiverdere stemming te creëren, zoals eeuwen eerder bijvoorbeeld al het 31-toonssysteem was ontstaan, maar om in de geest van de laat-romantiek tot een uitbreiding van artistieke en expressieve mogelijkheden te komen.
In het negentiende-eeuwse Parijs speculeerde componist Anton Reicha↗(1770-1836) in een publicatie reeds over het gebruik van kwarttonen. Het was echter pas rond het begin van de twintigste eeuw dat enkele componisten daadwerkelijk de twaalf gelijkzwevende tonen verruilden voor het 24-tonige kwarttoonsysteem. In 1909 werd de allereerste compositie met kwarttonen ooit gepubliceerd, namelijk Zwei Konzertstücke für Violoncello und Klavier uit 1906 van de Duitse componist Richard Heinrich Stein↗(1882-1942). In 1912 componeerde de Russische componist Arthur Lourié↗(1892–1966) zijn Prélude (opus 12 nr. 2) voor kwarttoonpiano. Vanaf 1916 ging de Duitse Jörg Mager↗(1880-1939), een pionier in de vroege elektronische muziek, van start met het gebruik van microtonen in zijn klanken. Een jaar later begon de eveneens Duitse componist Willi von Möllendorf↗(1872-1934) met zijn bichromatische harmonium (1917) te experimenteren en met kwarttonen te componeren. Andere componisten volgden door de heersende tijdgeest relatief snel, zoals de Tsjechische componist Alois Hába (1893-1973) met zijn Suite (1918) voor piano en zijn in 1920 gepubliceerde tweede strijkwartet, de Mexicaanse componist/violist Julián Carrillo (1875-1965) met zijn Preludio a Colón (1922) voor ensemble en de microtonen van zijn ‘Sonido 13’ systeem, waar hij al sinds 1895 onderzoek naar deed, de Amerikaanse componist Charles Ives↗(1874-1954) met Three Quarter-Tone Pieces for Two Pianos (1923-1924), de Russisch-Franse componist Ivan Wyschnegradsky (1893-1979) met zijn Deux Chœurs (1926-1927) voor koor, vier verschillend gestemde piano’s en percussie en de Amerikaanse componiste Mildred Couper↗(1887-1974) met haar kwarttoonballetmuziek Xanadu (1930).
Europa
In Oost-Europa was het de Russische componist Leonid (Leonidovič) Sabaneyev↗(1881-1968) die in het Moskou van de jaren 1920 de gelijkzwevende 53-toonsstemming voorstelde, omdat hij van mening was dat deze de zuivere stemming het dichtst benaderde en tegelijkertijd kon moduleren naar alle andere toonsoorten. Een ander belangrijk figuur, naast Sabaneyev, was indertijd Arseny (Michaylovitsj) Avraamov↗(1884-1944), die tussen 1914 en 1916 in Sint Petersburg verschillende artikelen geschreven heeft waarin hij de microtonaliteit besprak als mogelijke uitbreiding van het 12-toonsysteem in de vorm van ‘ultrachromatische muziek’, waarvoor hij ook speciale instrumenten uitvond. In 1923 richtte Georgy Rimsky-Korsakov↗(1901-1965, kleinzoon van de beroemde Russische componist Nikolaj Rimski-Korsakov) het ‘Petrograd Genootschap voor Kwarttonen’ op. Hij stond bekend om zijn onvoorwaardelijke trouw aan kwarttonen in muziek, zoals hij duidelijk maakte in zijn artikel ‘De basis van het kwarttoon muzieksysteem’, gepubliceerd in de Russische publicatie De Musica. In 1927 organiseerde hij een van de eerste publieke demonstraties en concerten met kwarttonen in Moskou. Hij dirigeerde tot begin jaren 1930 een ensemble voor kwarttoonmuziek, waar onder andere het harmonium een onderdeel van was en waarvoor hij microtonale muziek componeerde, die helaas allemaal verloren is gegaan. Ook de beroemde Hongaarse componist Bela Bartók↗(1881-1945) gebruikte in zijn Sonata for Solo Violin (1943) microtonen. Hij componeerde dit stuk voor violist Yehudi Menuhin, die eiste dat alle kwarttonen en derde tonen uit het laatste deel, het presto, verwijderd werden. Uiteindelijk is hij toch nog op deze microtonen gaan studeren. De gepubliceerde microtoonvrije versie van het stuk is voornamelijk bekend.
Naar het midden van de 20ste eeuw toe gingen verschillende componisten op zoek naar andere systemen dan het kwarttoon- en zesdetoonsysteem en kwamen zo onder meer in aanraking met het vrij zuivere 31-toonssysteem en het 31-toonsorgel (Fokker-orgel) van de Nederlandse natuurkundige Adriaan Fokker (1887-1972), die hier zelf meerdere korte werken voor heeft gecomponeerd en die na de Tweede Wereldoorlog vanuit Haarlem een ware 31-toonsbeweging op gang wist te brengen in Nederland en daarbuiten. Zo schreef de bekende Nederlandse componist Henk Badings (1907-1987) verschillende werken in het 31-toonssysteem, alsook Hans Kox (1930-2019) en vele anderen. Fokker legde contact met microtonale pioniers als Alois Hába en Ivan Wyschnegradsky, maar ook Julián Carrillo en Edgard Varèse↗(1883-1965), die in zijn elektronische muziek regelmatig afwijkende toonafstanden liet ontstaan, zonder deze specifiek als microtoon te noteren.
Alois Hába (1893-1973) was een invloedrijk figuur in de moderne Tsjechische muziek van de 20e eeuw en staat vooral bekend om zijn experimentele gebruik van microtonen, waaronder kwarttoon-, zesde-toon- en achtste-toonmuziek. Zijn vroege muzikale vorming vond plaats in de Moravische volksmuziek, waarin hij als violist in de groep van zijn vader speelde. Tijdens zijn studies aan het conservatorium van Praag en later in Wenen raakte Hába onder de indruk van Schönbergs athematische stijl en werd hij beïnvloed door Franz Schreker, die zijn radicale artistieke kant versterkte. Zijn fascinatie voor microtonen ontstond rond 1917 na het lezen van een artikel over kwarttonen, waarna hij volksliederen analyseerde en een systematische benadering van microtonale muziek ontwikkelde.
Hij publiceerde zijn eerste kwarttooncompositie, het Tweede Strijkkwartet, in 1920 en experimenteerde verder met speciaal gebouwde microtonale instrumenten, zoals een kwarttoonpiano en een zesde-toonharmonium. Na zijn successen in Berlijn en de ontmoeting met componist Ferruccio Busoni↗(1866-1924), die zijn microtonale experimenten ondersteunde en eerder zelf al filosofeerde over derde tonen in zijn Entwurf einer neuen Aesthetik der Tonkunst (1907), keerde Hába terug naar Praag, waar hij ondanks weerstand een aanstelling aan het conservatorium kreeg. Zijn opera Matka (1931), een sociaal-realistisch werk over Moravische boeren, wordt beschouwd als zijn belangrijkste compositie en illustreert zijn socialistische overtuigingen. Tijdens de nazi-bezetting werd zijn muziek verboden en zijn conservatoriumafdeling gesloten, maar na de oorlog hervatte hij zijn werk, hoewel hij na de communistische machtsovername in 1948 zijn microtonale stijl versimpelde. Hába bleef tot op hoge leeftijd componeren en was wellicht de meest productieve microtonale componist van de 20e eeuw, met werken in diverse genres, waaronder opera’s, kamermuziek en symfonische stukken. Zijn theoretische geschriften, zoals zijn boek ‘Neue Harmonielehre’ (1927), boden inzicht in zijn visie op microtonale harmonie, maar gaven weinig praktische compositierichtlijnen. Hoewel zijn muziek technisch innovatief was, bleek de praktische uitvoerbaarheid van zijn microtonale systemen problematisch, en de expressieve meerwaarde ervan werd niet altijd als overtuigend ervaren. Ondanks deze kritieken blijft Hába een pionier op het gebied van microtonale muziek en een inspiratiebron voor latere generaties componisten.
De Russische componist en theoreticus Ivan Wyschnegradsky (1893-1979) wordt beschouwd als een van de belangrijkste pioniers van de microtonale muziek, in het bijzonder de kwarttoonsmuziek. Hij werd geboren in Sint-Petersburg en studeerde compositie aan het conservatorium, waar hij beïnvloed werd door Alexander Skrjabin en zijn kring. Een diepe interesse in Indiase filosofie brachten hem ertoe om, na enkele mystieke ervaringen, zijn ultrachromatische ideeën en later een getempereerd kwarttoonssysteem te ontwikkelen, dat verfijnder was dan het traditionele systeem maar nog steeds verenigbaar bleef met de westerse muziekpraktijk. Na zijn emigratie naar Frankrijk in 1920 liet Wyschnegradsky een kwarttoonsharmonium bouwen en werkte hij samen met Alois Hába en de firma Grotrian-Steinweg aan de ontwikkeling van een kwarttoonspiano, die uiteindelijk pas in 1928 door August Förster werd gerealiseerd. Hoewel hij over zo’n instrument beschikte, schreef hij zijn kwarttoonscomposities voor piano altijd voor twee verschillend gestemde piano’s, wat vermoedelijk ruimere uitvoeringsmogelijkheden bood. In 1932 publiceerde hij het invloedrijke ‘Manuel d’harmonie à quarts de ton’, waarin hij zijn harmonische principes uiteenzette. Gedurende zijn leven componeerde Wyschnegradsky tientallen werken in het 1/4- en 1/6-toonssysteem, voor uiteenlopende bezettingen, waaronder orkest en strijkkwartet. Hij ontwikkelde het theoretische concept van ‘pansonoriteit’, waarin klank werd gezien als een onbegrensd continuüm van tonen met een maximale dichtheid, wat betekende dat klanken niet aan een tooncentrum werden gekoppeld, maar op basis van dichtheid en volume werden georganiseerd. Daarnaast experimenteerde hij met kleurennotatie, waarbij hij verschillende intervalgroottes aan specifieke kleuren koppelde, een idee dat parallellen vertoont met de synesthetische benaderingen van Skrjabin. Ondanks zijn radicale gebruik van microtonen bleef zijn muzikale stijl in zekere zin geworteld in westerse tradities, waardoor zijn werk zowel vooruitstrevend als herkenbaar was. Zijn invloed binnen de microtonale muziek is blijvend, maar zijn specifieke muzikale idioom bleef grotendeels een zijspoor binnen de ontwikkeling van de 20e-eeuwse muziek.
De Roemeens/Israëlische componist Mordecai Sandberg↗(1897–1973) bepleitte dat een microtonaal muzieksysteem de basis kon vormen voor het maken van ‘muziek van de mensheid’ die alle culturen samen zou brengen en lokale tradities zou overstijgen. In 1929 publiceerde hij een artikel over zijn theorie van microtonale muziek, getiteld “Die Musik der Menschheit: Die Ton-Differenzierung und ihre Bedeutung” in Berlijn. Hij ontwikkelde een geavanceerd notatiesysteem en ontwierp verschillende instrumenten, waaronder twee harmoniums: een bichromatisch model met kwarttonen (1926) en een ander met 12de en 16de tonen (1929), beide gebouwd door Straube.
Decennia na het vooruitstrevende werk van de Duitse componist Jörg Mager↗(1880-1939) was het de Franse componist Jean‑Étienne Marie↗(1917–1989) die een pionierende rol speelde in de Europese elektro-akoestiek en microtonale muziek. Hij experimenteerde met allerlei microtonale toonladders (zoals kwarttonen, derde tonen en andere verdelingen) en ontwikkelde poly-getempereerde muziek, waarbij meerdere microtonale stemsystemen tegelijk werden gebruikt voor zijn futuristische klankwereld.
De nieuwe generatie van Europese naoorlogse avant-garde componisten richtte zich ook regelmatig op microtonaliteit en alternatieve stemmingen in hun zoektocht naar nieuw onontgonnen klankmateriaal. Karlheinz Stockhausen↗(1928-2007) gebruikte microtonen in zijn vroegste elektronische composities. In zijn Studie II uit 1954 ontwikkelde hij voor het eerst een toonschaal zonder octaven, gebaseerd op de 25ste wortel van 5, met de verhouding 5:1, verdeeld in 25 gelijke delen. Pierre Boulez↗(1925-2016) integreerde kwarttonen in zijn vroege cantate Le Visage Nuptiel (1946–47), maar verwijderde deze in zijn tweede revisie uit 1989. De Franse componist Claude Ballif↗(1924–2004) ontwikkelde zijn ‘métatonalité’, waarin hij vanaf 1968, nadat hij met muziek van Wyschnegradsky en Hába in aanraking was gekomen, microtonen gebruikte als integraal onderdeel van zijn systeem, dat tonale en atonale structuren systematisch met elkaar verbond. Extensieve microtonale toepassingen vindt men in veel werk van Iannis Xenakis↗(1922-2001), zoals in zijn kamermuziekcompositie Anaktoria. Kwarttonen werden sporadisch gebruikt als kleureffect in onder andere Ramifications van György Ligeti↗(1923-2006).
In 1970 begonnen de componisten Franz Richter Herf↗(1920-1989) en Rolf Maedel↗(1917-2000) in Oostenrijk aan het Mozarteum Salzburg met systematisch onderzoek naar microtonen, waarna in 1972 het ‘Institut für Musikalische Grundlagenforschung’ werd opgericht, waarbij zij zich vooral richtten op het 72-toonssysteem. Hiervoor ontwierpen zij in 1974 het ‘Feinstufenorgel‘, een elektronisch orgel met 72 tonen in het octaaf. Vanaf dat moment componeerden ze consequent in dit systeem en werden melodieën, harmonieën en akkoorden opgebouwd uit kleine micro‑intervalen. In 1981 werd de Internationale Gesellschaft für Ekmelische Musik opgericht om concerten, publicaties en symposia te organiseren.
De vertegenwoordigers van de spectrale muziekstroming in Frankrijk lieten groepen instrumenten vaak microtonen (zoals kwarttonen en zelfs zesde en achtste tonen) spelen, in een poging de boventonen te reconstrueren. Het spectralisme ontstond halverwege de jaren ’70 en is nauw verbonden met de Franse componisten Gérard Grisey↗(1946-1998) en Tristan Murail↗(1947), die samen met Hugues Dufourt↗(1943) tot de grondleggers van deze stroming worden gerekend. Spectralisten baseren hun composities op de natuurlijke resonanties en boventoonspectra van klanken, wat leidt tot een benadering waarin de grens tussen klankkleur en harmonie vervaagt. Microtonen spelen hier regelmatig een rol in, maar niet als doel op zich: ze zijn een natuurlijk gevolg van het streven naar een nauwkeurige benadering van boventonen en worden vooral verticaal toegepast, waardoor ze minder vaak als melodisch element functioneren. Gérard Grisey, een van de belangrijkste exponenten van deze stroming, benadrukte dat hij microtonen niet beschouwde als een uitbreiding van het twaalftoonssysteem naar een microtonaal systeem, maar als een noodzakelijke consequentie van het werken met de spectrale structuur van klanken. Zijn invloedrijke cyclus Les Espaces Acoustiques (1973-1985) laat goed zien hoe microtonen niet op zichzelf staan, maar dienen om harmonische gelaagdheid en een verfijning van timbre te creëren. Hoewel het spectralisme nooit een strikt afgebakende methode is geweest en Grisey zelf de term als een ‘sticker’ beschouwde, heeft deze benadering een blijvende impact gehad op de hedendaagse muziek.
Naast Frankrijk vond het spectralisme weerklank in andere landen, zoals bij de Finse componiste Kaija Saariaho↗(1952-2023), die microtonen niet alleen gebruikt voor klankkleur, maar ook voor structurele processen in haar muziek, en de Belg Luc Brewaeys↗(1959-2015), die spectrale technieken combineert met theatrale elementen. In Groot-Brittannië liet Jonathan Harvey↗(1939-2012) zich inspireren door het spectralisme en verwerkte hij microtonen intuïtief in zijn muziek, soms zonder systematiek, puur als effect. Ook de Hongaars-Franse componist Horațiu Rădulescu↗(1942-2008) ontwikkelde sinds de jaren ’70 van de 20ste eeuw een spectrale stijl, maar vanuit een geheel ander perspectief dan die van Gérard Grisey en Tristan Murail. De spectrale benadering werd verder ontwikkeld in het IRCAM in Parijs, waar componisten computers gebruikten om spectrale analyses en klankmodellen te verfijnen, wat leidde tot de specifieke klankwereld die deze muziek kenmerkt. Jongere componisten zoals Philippe Hurel↗(1955) en Marc-André Dalbavie↗(1961) vermengen het spectralisme met andere benaderingswijzen, terwijl een nog jongere generatie zich er expliciet van distantieert, maar er niettemin door beïnvloed blijft. In de compositie in vain van de Oostenrijkse Georg Friedrich Haas↗(1953) zijn eveneens veel spectrale klanken te horen, evenals in veel van zijn andere composities. Een andere microtonalist die zijn muziek baseert op de boventonen maar meer denkt vanuit de reine stemming is de Franse componist Jacques Dudon↗(1951), die zelf experimentele muziekinstrumenten bouwt. Ook de sinds 1999 in Berlijn woonachtige Canadese componist Marc Sabat↗(1965) gebruikt boventonen en microtonen in zijn eeuwige zoektocht naar zuiverdere intonatie en om specifiek de harmonische relaties van boventonen en resonanties te construeren.
Een minder bekende doch zeer actieve naoorlogse microtonale componist in Europa was de Noorse componist Bjørn Fongaard↗(1919-1980). Fongaard was een tijd lang bekender als gitarist dan als componist. Hij ontwikkelde een gitaar waarmee het octaaf in 12, 24 of zelfs meer tonen per octaaf verdeeld kon worden, als onderdeel van zijn nieuwe ‘universele’ principe van tonaliteit. In veel van zijn werken is dit instrument voorgeschreven. De volgende composities zijn een selectie uit het grote oeuvre van Fongaard: Microtonal Structures for Chamber Orchestra, op. 135 (1970) en Mora Parva Infinitatis, op. 93 (1974) voor strijkkwartet, sopraan en micro-interval gitaar. Zijn werk wordt wegens zijn afwijkende en complexe muzieknotatiesysteem weinig uitgevoerd. Een andere naoorlogse vertegenwoordiger van microtonale muziek in Europa is de Fransman Alain Bancquart↗(1934-2022), die heel vaak microtonen in zijn muziek gebruikte, zoals in zijn compositie Labyrinthe du Minotaur (2000) voor ensemble en tape, waarin naast kwarttonen zelfs zestiendetonen voorkomen. Zestiendetonen worden ook gebruikt door de Franse componiste Pascale Criton (1954). Zij was leerling van de kwarttoonpionier Ivan Wyschnegradsky. Criton is gespecialiseerd in werken met de 96-toonspiano, waarvoor zij ook vaak twee verstemde synthesizers gebruikt.
Veel hedendaagse componisten hebben zo nu en dan geëxperimenteerd met microtonen. Voorbeelden van composities van Europese componisten die sporadisch microtonen hebben zijn Sonate für Viertelton-Klarinette und Viertelton-Klavier van Viktor Ullmann↗(1898-1944), Lukaspassion (1963-65) van Krzysztof Penderecki↗(1933-2020), Stringquartett II (1964) van Ton de Leeuw (1926-1996), Életút van György Kurtág↗(1926), Musik für Flöte, Streicher und Schlagzeug (1994) van Sofia Gubaidulina↗(1931), Studie VI (1969) voor tape met kwarttonen van Lucien Goethals↗(1931-2006) en de balletmuziek L’ Envol d’Icare (1932) van Igor Markevitch↗(1912-1983).
Andere componisten gebruikten met veel meer regelmaat microtonen, zoals de Italiaan Giacinto Scelsi (1915-1982) in bijvoorbeeld zijn derde strijkkwartet (1963). Scelsi ontwikkelde na 1956 een stijl waarin hij vrijwel systematisch kwarttonen gebruikte via subtiele toonhoogteschommelingen, vaak geïntegreerd in klankkleur in plaats van als puur melodisch materiaal. Ook de Britse componist Clarence Barlow↗(1945-2023) gebruikt regelmatig microtonen binnen zijn mathematisch gegenereerde toonreeksstructuren, zoals in onder andere zijn werk Çogluotobüsísletmesi (1982) voor vier piano’s met verstemde snaren. Een ander voorbeeld is de Britse componist, slagwerker en dirigent James Wood (1953) die als overtuigde microtonalist niet alleen microtonale muziek componeert, maar ook microtonale instrumenten ontwerpt en bouwt, zoals een kwarttoon-marimba en klokkenspel. Als voormalig leerling van Xenakis wordt ook de muziek van de Franse componist Pascal Dusapin↗(1955) gekenmerkt door microtonaliteit, waarin hij microtonen en micro-glissandi integreert in zijn melodische progressies.
Een belangrijke ontdekking binnen de microtonaliteit uit de jaren ’70 en ’80 die zeker genoemd moet worden en zich afspeelde in zowel Europa als Amerika is de Bohlen-Pierce schaal. Deze toonschaal, vernoemd naar Heinz Bohlen (1935-2016) en John Pierce (1910–2002), is een microtonaal stemsysteem waarbij het interval 3:1 (’tritave’ in plaats van de gebruikelijke 2:1 octaaf) in 13 gelijke stappen wordt verdeeld. Hierdoor ontstaan ongebruikelijke micro-intervallen die anders zijn dan de traditionele even en oneven verhoudingen van de klassieke toonladders. Bohlen en Pierce, die toevalligerwijs beiden ingenieur in microgolfelektronica en communicatie waren, vonden onafhankelijk van elkaar deze toonschaal uit met een tussentijd van ongeveer 10 jaar. Meerdere componisten hebben sindsdien werken gecomponeerd voor dit bijzondere systeem, waaronder de Duitse componist en musicoloog Manfred Stahnke↗(1951), die als microtonalist en voormalig leerling van György Ligeti en Ben Johnston geïnteresseerd is in reine en alternatieve stemmingen.
Amerika
Ook in de Verenigde Staten is de microtonaliteit enorm tot bloei gekomen in de 20ste eeuw. Na een enkele uitstapjes met kwarttonen door Charles Ives↗(1874-1954), was het Harry Partch↗(1901–1974) die zich als een belangrijk figuur op het gebied van microtonaliteit ontwikkelde. Hij was een visionaire en individualistische componist, theoreticus en uitvinder van muziekinstrumenten, die zich afzette tegen de dominante 12-toons gelijkzwevende stemming in westerse muziek. Hij was een invloedrijk figuur in de ontwikkeling van experimentele Amerikaanse hedendaagse muziek. Een pionier in het ontdekken van nieuwe instrumenten en stemmingen. Partch creëerde multimedia theater waarin zicht en geluid werden geïntegreerd, gebaseerd op zowel Griekse mythologie als op zijn eigen ervaringen als zwerver tijdens de crisisjaren. In 1930 brak Partch met de westerse Europese traditie en smeedde een nieuw soort muziek gebaseerd op een meer oorspronkelijke en organische integratie van spraakelementen met muziek, door gebruik te maken van natuurlijke akoestische resonantie en uitgebreide melodische en harmonische mogelijkheden. Partch bepleitte onder andere een systeem met 43 onevenredig verdeelde tonen in het octaaf, gebaseerd op zuivere intervallen. Zijn boek ‘Genesis of a Music’ (The University of Wisconsin Press, Madison, 1949), voor het eerst gepubliceerd in 1949, wordt nu beschouwd als een klassieker. Dit boek behandelt zijn theorieën, instrumenten, composities en ideeën over muziek, en bevat ook autobiografische elementen. Voornamelijk genegeerd door de standaard muziekinstituten tijdens zijn leven, bekritiseerde hij de concerttradities, de rol van de uitvoerder en de componist, de rol van muziek in de maatschappij, en het concept van abstracte muziek. Harry Partch schreef iets minder dan 30 werken in zijn leven, waaronder verschillende opera’s zoals Oedipus (1952), Plectra and Percussion Dances (1952), Revelation in the Courthouse Park (1961) en Water Water! (1962). Partch is erkend als een belangrijke inspiratiebron voor naoorlogse experimentele componisten zoals György Ligeti, Philip Glass en Lou Harrison.
Lou Harrison↗(1917-2003), een uitgesproken microtonale componist, muziektheoreticus en bouwer van unieke muziekinstrumenten, was vooral bekend door het gebruik van niet-westerse instrumenten zoals de gamelan, maar ook eigen instrumenten, gemaakt van bijvoorbeeld conservenblikjes. Hij schreef aanvankelijk in een ultramodernistische stijl, maar ging later in zijn werk elementen van niet-westerse culturen opnemen. Harrison creëerde zijn eigen muzikale ensembles en schreef de meeste werken voor aangepaste instrumenten in ‘just intonation’ (reine intonatie), waardoor hij een van de meest prominente Amerikaanse componisten is die heeft geëxperimenteerd met microtonen.
Halverwege de 20ste eeuw verschenen er in de Verenigde Staten ook andere microtonale denkers, zoals Ivor Darreg (1917-1994), die voor microtonale muziek de alternatieve term ‘xenharmonische muziek’ bedacht, wat ‘vreemde muziek’ betekent en is afgeleid van het Griekse woord ‘xenos’ (vreemd en buitenlands) en ‘harmonikos’. Darreg bedoelt met deze term alle muziek die niet gebaseerd is op het 12-toons gelijkzwevende stemming, waardoor feitelijk alle definities voor microtonaliteit hierin zijn samengebracht. Het zelfstandig naamwoord is xenharmoniek. Een ander belangrijk figuur was Erv Wilson↗(1928-2016) die in Japan door een vreemde toevallig in aanraking werd gebracht met de natuurlijke boventonen. Beïnvloed door het werk van de Mexicaan Augusto Novaro↗(1891-1960) en de Russische Amerikaan Joseph Yasser↗(1893-1981), die beiden stemmingssystemen onderzochten als alternatief voor het gangbare twaalftoonssysteem, begon Wilson de toonladder te zien als een levend proces, zoals bijvoorbeeld een plant. Wilson bleek een inspiratiebron te zijn voor geïnteresseerden in microtonale muziek, reine intonatie en klavier- en notatieontwerp. Wilson bouwde instrumenten en onderzocht de bronnen van 31 en 41 gelijke verdelingen van de octaaf en steunde het werk van Harry Partch.
De Amerikaanse componist Ben Johnston↗(1926–2019) werd vooral bekend door zijn werken in ‘just intonation’, gebaseerd op zuivere, rationale intervallen. Na zijn ontmoeting met Harry Partch en studie bij onder anderen John Cage, ontwikkelde hij vanaf 1960 een microtonale notatie, waarbij hij honderden tonen per octaaf gebruikte en complexe harmonieën bouwde die teruggrijpen naar de boventoonreeks. In zijn latere werken, zoals strijkkwartetten, gebruikte hij intervallen tot de 31e boventoon, waarbij microtonen werden ingezet om een hernieuwde muzikale schoonheid te vinden die hij in het conventionale gelijkzwevende systeem miste.
Ook Ezra Sims↗(1928-2015) is een van de pioniers op het gebied van microtonale muziek. Hij heeft een notatiesysteem uitgevonden die door verschillende microtonale componisten overgenomen is. Zijn eerste microtonale compositie is geschreven in 1960. Zijn laatste compositie in kwarttonen (zijn zesde microtonale werk) was zijn Third Quartet (1962), waarna hij ook zesde tonen begon te gebruiken. Vanaf 1971 componeerde hij muziek waarbij hij gebruik maakte van de gelijkzwevende 72-toonstemming.
Een andere prominente microtonalist is de pianist en componist en muziektheoreticus Easley Blackwood↗(1933-2023), die o.a. bij Olivier Messiaen, Paul Hindemith, en Nadia Boulanger studeerde. Blackwood heeft vele études geschreven, waarbij hij heeft geëxperimenteerd met 13 tot en met 24 tonen per octaaf. In deze composities tracht Blackwood regelmatig conventionele muziek met microtonen te combineren. Hij begon met deze tonale stijl begin jaren tachtig na in eerste instantie modernistischer gecomponeerd te hebben. Met deze stijlbreuk oogstte hij zowel lof als kritiek.
De Amerikaanse minimal music pionier Terry Riley↗(1935) heeft in diverse composities gebruikgemaakt van microtonen en stemmingen gebaseerd op ‘just intonation’. Een belangrijk voorbeeld hiervan is Shri Camel (1980), waarin hij een speciaal afgestemd elektrisch orgel gebruikt met reine intonatie, wat resulteert in microtonale klanken. Mede beïnvloed door zijn studie van raga’s in de Indiase klassieke muziek, met subtiele microtonale nuances en glijdende toonhoogtes, verwerkte Riley dergelijke technieken in zijn composities.
Op een geheel andere wijze gebruikte de Canadese componist Claude Vivier↗(1948–1983) in verschillende composities onder meer zijn techniek ‘les couleurs’, waarbij uit de samenklank combinatietonen of boventonen voortkomen en zo klankvelden worden gecreëerd die niet rusten op expliciet genoteerde microtonen, maar op voortdurend verschuivende, natuurlijk gegenereerde microtonale intervallen. Een minder bekende Canadese componist is Bruce Mather↗(1939), die vanaf de jaren ’70 sterk beïnvloed is door Ivan Wyschnegradsky en sindsdien vaak microtonale toonladders gebruikt. Daarnaast componeerde hij specifiek voor de 96-toonspiano.
Veel van het werk van de Canadees/Amerikaanse componist en pianist James Tenney↗(1934-2006) is gecomponeerd met alternatieve microtonale stemmingen, zoals het 24-toons en 72-toonssysteem of gebaseerd op zuivere intonatie, en experimenteerde met nauwkeurige akoestische en wiskundige principes in zowel akoestische als elektronische muziek. Als pianist speelde hij o.a. in de ensembles van John Cage, Philip Glass, Harry Partch en Steve Reich. Ook was hij een kenner van de muziek van Conlon Nancarrow. Hij is schrijver van het boek ‘A History of ‘Consonance’ and ‘Dissonance’’ (uitgegeven bij Excelsior, 1988). Een voorbeeld van een belangrijk werk is Spectrum (1961) voor tape in just intonation. Een relatief recent werk met kwarttonen van Tenney is Flocking (1993), voor twee kwarttoonpiano’s. Tenney beïnvloedde tevens Alvin Lucier↗(1931-2021), die een bescheiden rol vervuld in de Amerikaanse microtonale muziek, waarbij zijn benadering van microtonaliteit vaak experimenteel was en gebaseerd op de natuurkunde in plaats van op conventionele microtonale stemmingssystemen.
Ook de New Yorkse componist en fagottist Johnny Reinhard (1956) is de afgelopen decennia in de Verenigde Staten zeer actief geweest met zuivere stemmingen in de microtonale wereld en heeft zich ontpopt tot een van de belangrijkste pleitbezorgers van microtonale muziek in de VS en daarbuiten. Onder de hedendaagse Amerikaanse componisten die microtonale muziek componeren, kan men ook Joel Mandelbaum (1932), John Eaton↗(1935-2015), Kraig Grady↗(1952), Kyle Gann↗(1955), Elaine Walker↗(1969) en heel veel anderen rekenen. In de late 20ste eeuw was er in de Verenigde Staten onder de microtonale componisten enigszins sprake van twee kampen. Zo waren er in het oosten van het land vooral componisten die met alternatieve verdelingen van het octaaf werkten, zoals het 19-toonssysteen, het 22-toonssysteem of het 72-toonssysteem, etc. Richting de westkust waren componisten vaker meer geïnteresseerd in zuivere stemmingen, zoals Just Intonation. Het was daar in Los Angeles waar het festival MicroFest, sinds 1997 georganiseerd werd door microtonaal gitarist John Schneider↗(1950), een bijdrage heeft geleverd aan de populariteit van de microtonale muziek.
Tot slot moet er stil gestaan worden bij een vroege microtonalist uit Midden-Amerika. De Mexicaanse componist Julián Carrillo (1875-1965) heeft zijn hele leven gewijd aan het experimenteren met microtonen, alhoewel zijn muziek duidelijk thematisch en klassiek van opbouw is, met lang uitgesponnen sequenzen. Hij legde rond 1924 zijn officiële functies grotendeels neer om zich geheel aan het componeren en het uitwerken van zijn octaaf-verdeling in tot wel 96 minieme stapjes, het Sonido Trece-systeem (de dertiende toon) te wijden. Dit toonsysteem sluit ook het kwarttoonssysteem en het achtste-toonssysteem in zich. In veel composities gebruikt Carrillo deze verschillende systemen door elkaar heen, waarbij de keuze van het systeem afhankelijk is gemaakt van de mogelijkheden van het desbetreffende muziekinstrument. Hij liet een speciale serie van piano’s bouwen voor zijn microtonale stelsel, waarvan de klavieren normaal ogen, maar de klank wel heel afwijkend is. Het totale klavier van de 96-toonspiano, met 97 toetsen, bestrijkt zo toch slechts één octaaf. Om zijn muziek te noteren, benutte Carrillo, naast een systeem met kleine streepjes die voor de tonen werden geplaatst, ook wel een cijfernotatie, door alle toonhoogten binnen het octaaf simpelweg een getal van 1 tot 96 te geven. Een voorbeeld van een dergelijke compositie is de Sonata si fantasia (1926), een 1/16-toons werk. Zijn ensemble stuk Preludio a Colón (1922) is het bekendste werk uit zijn oeuvre. In Mexico richtte Carrillo met zijn studenten een orkest op dat in staat was 1/4, 1/8 en 1/16-toonsmuziek te produceren. Hij richtte verder een koor op voor microtonale muziek. In 1927 ontwierp hij een plan voor vijftien verschillende piano’s: voor 1/3, 1/4 enzovoort tot 1/16-toonssysteem. Het duurde tot 1949 voor de eerste 1/3-toonspiano werd gebouwd, door Buschmann in Mexico en bespeeld door Carrillo’s dochter Dolores. In 1957 werden er nog 14 microtonale piano’s door Sauter uit Duitsland gebouwd en in 1958 werden ze tijdens de wereldtentoonstelling in Brussel geëxposeerd. Carrillo wordt als een van de grootste pioniers van de vroege microtonale muziek beschouwd.
Wereld
In de 20ste eeuw werden door componisten over de hele wereld regelmatig microtonen in hun muziek gebruikt. De avant-gardistische Iraakse componist Farid Allawerdi↗(1923-2007) is een van de vele componisten uit de niet-westerse wereld die teruggrijpt naar microtonale toonafstanden uit de traditionele muziek van de regio. Hij maakte in sommige werken expliciet gebruik van kwarttonen en microtonale stemmingen, geïnspireerd door Arabische maqam‑systemen. Aan de andere kant van de wereld, in Australië, raakte de componist Bill Coates↗(1917-1997) vanaf de jaren ’50 geïnteresseerd in microtonale muziek en componeerde onder andere simpele maar effectieve 31-toonsmuziek voor zijn archifoon, vaak in combinatie met andere instrumenten.
Microtonen worden ook in jazz en popmuziek met enige regelmaat toegepast, vooral in alternatieve muziekkringen. In jazz ontstaan microtonen vaak door speeltechnieken zoals ‘bending’ en ‘blue notes’, waarbij tonen subtiel worden verhoogd of verlaagd, zonder een vast systeem. De ‘blue third’, een toon tussen de kleine en grote terts, ook wel de neutrale terts genoemd, is een veelvoorkomend voorbeeld. In de VS waren jazztrompettist Don Ellis↗(1934-1978), die een kwarttoontrompet bespeelde, en jazzsaxofonist, -klarinettist en -pianist Joe Maneri↗(1927-2009), die het 72-toonssysteem onderzocht, pioniers in microtonale jazz. Maneri gebruikte microtonen niet als effect, maar als volwaardig melodisch en harmonisch materiaal binnen zijn systeem met 72 tonen in het octaaf. Hoewel hij sinds de jaren 1960 actief was als uitvoerder en docent, kreeg zijn microtonale werk pas vanaf de jaren 1980 bredere aandacht, vooral dankzij zijn ECM-opnames in de jaren 1990, waaronder het invloedrijke Three Men Walking (1996). In 1988 richtte hij de Boston Microtonal Society op en was hij intensief betrokken bij zowel academische als microtonale kringen. Met ensembles zoals het Joe Maneri Quartet en zijn samenwerkingen met zijn zoon Mat Maneri groeide hij uit tot een toonaangevende figuur binnen de avant-garde jazz en microtonale improvisatie.
Ook in de popmuziek komen microtonen voor, zoals in City Lights van Lou Reed↗(1942-2013), waarin valse tonen een expressief effect geven. Ondanks deze experimenten blijft microtonale muziek een niche binnen de wereld van de populaire muziek.
Sinds het begin van de 21ste eeuw is een aanzienlijke groep componisten en musici aan het experimenteren met alle mogelijke verdelingen van het octaaf en componeren daar ook muziek mee. Deze composities worden, bij gebrek aan microtonale muziekinstrumenten, voor een groot deel uitgevoerd door geluidskaarten van computers of op synthesizers, maar in gelukkige gevallen door akoestische instrumenten en muziekensembles. Ook veel componisten van niet-microtonale muziek maken sporadische uitstapjes buiten het conventionele 12-toonssysteem als klankkleureffect. Door de komst van geavanceerde muzieksoftware met microtonale afspeelmogelijkheden in de 21ste eeuw is het eenvoudiger dan ooit om het gebruik van microtonen te onderzoeken, met als gevolg een wereldwijde ‘uitbarsting’ van creatieve activiteiten op het gebied van microtonaliteit. (Sander Germanus, 2005 – bronnen via Stichting Huygens-Fokker – laatste update 2025)
