Tijdens dit besloten concert zal de reportage die door Stichting Huygens-Fokker is gemaakt door Sharis Coppens en Sander Germanus over violist/componist/muziektheoreticus Leo de Vries (1924-2018) voor het eerst worden vertoond. Aansluitend zullen er enkele werken van Leo de Vries worden uitgevoerd op Fokker-orgel, fluit, 31-toonsgitaar en viool. Een ode aan een groot muziektheoretisch denker.
Leo de Vries (1924-2018) studeerde viool aan het Haags Conservatorium bij Joachim Röntgen. Dankzij de theorielessen van Henk Badings en Martin Lürsen kwam hij in aanraking met het 31-toonssysteem. Van 1956 tot 1960 volgde hij compositielessen bij Jan van Dijk, in dezelfde periode ontmoette hij prof. Fokker. Hij nam deel aan een cursus twaalftoonstechniek van Wolfgang Hufschmidt, schreef een compositie in het dodecafonische systeem en componeerde vervolgens niet meer tussen 1968 en 1976 uit onvrede met het systeem. Tot 1985 werkte hij achtereenvolgens als violist bij de Groninger Orkest Vereniging en Rotterdams Philharmonisch orkest.
Vanaf 1977 ontwikkelde hij een kwarttoons-muziek vanuit de middentoontechniek. Voor het uitvoeren van deze muziek liet hij een speciale gitaar, en in 1980 een clavecimbel bouwen. Van 1980 tot 1988 publiceerde hij verschillende artikelen over microtonaliteit. In 1984 werd hij actief lid van de wereldwijde Music Modernisation Association. Hij maakte ook deel uit van de Rotterdamse microtonale groep.
In 1983 beschreef Leo de Vries in een artikel in Mens en Melodie drie toongeslachten in de kwarttoonsmuziek waarbij de toonladders, gaande naar de volgende transpositie, slechts één toon behoeven te veranderen. Sindsdien ontdekte hij dat dit doortransponerende principe op alle toonsystemen toegepast kan worden.
“De zeven stukken uit For 31-tone Organ zijn gecomponeerd in het 6/31 toongeslacht: de 6 staat voor de zesde toon (de supra-secunde). De gebruikte toonladder is elftonig en bestaat uit een opeenvolging van grote secundes en diëzen. In een dergelijke toonladder kan men naar believen bepaalde intervallen en accoorden benadrukken. In stuk 1 is dat de secunde-opvolging, met name in de onderstem, in stuk 2 zijn dat de harmonische septiemen, in 4 de nonen in de gebroken accoorden, in 5 de grote en kleine secundes, in 6 de tertsen in de onderstem en in 7 de harmonische septiemen. In stuk 3 heb ik mijn ritmische systeem DuTri toegepast: een ritme dat bestaat uit, zeer willekeurig verdeeld, noten met 2 en 3 pulsen. Deze lastige muziek heb ik opgedragen aan onze onvolprezen Fokkerorgel-bespeler Joop van Goozen.”





