Ivan Wyschnegradsky

foto van Wyschnegradsky Ivan Wyschnegradsky (1893-1979) werd geboren in Sint-Petersburg en had een vader die bankier, en een moeder die dichteres was. Zijn grootvader was een bekend wiskundige. Pas op zijn zeventiende jaar besloot hij zich op muziek te gaan toeleggen. Hij volgde lessen harmonieleer, compositie en orkestratie bij Nikolaas Sokolov aan het conservatorium van Sint-Petersburg van 1911 tot 1915. Vervolgens studeerde hij rechten maar brak het af in 1917. Hij kwam in aanraking met de kring van Skrjabin. Zijn eerste werken componeerde hij in de jaren 1916-1917 en deze waren nog in het gewone chromatische systeem. Maar al spoedig kwam hij tot de slotsom dat het halvetoonssysteem de mogelijke muzikale toonruimte maar voor een zeer beperkt deel invulde en dat een meer gedetailleerde invulling van die toonruimte voor hem een eerste muzikale levensbehoefte was. Omdat hij een werkelijke continue invulling van het toonhoogte-domein onbereikbaar achtte, koos hij voor het praktische compromis van de kwarttoonstemming: enerzijds nog verenigbaar met het traditionele systeem, anderzijds een orde nauwkeuriger en verfijnder dan het traditionele systeem. Zijn eerste werken in het kwarttoonssysteem, Quatre fragments opus 5 en L'Évangile rouge opus 8, zijn nog omwerkingen van werken eerst in het twaalftonige systeem geschreven. In 1919 werkte hij aan een 1/12-toonsnotatie. In 1920 emigreert hij met zijn familie naar Frankrijk. In 1921 laat hij kwarttoonsharmonium van het type Möllendorf bouwen door Straube. In 1922 en 1923 gaat hij verschillende keren naar Duitsland en ontmoet Richard Stein, Alois Hába, Jörg Mager en Willi Möllendorf. Samen met Hába vond hij de firma Grotrian-Steinweg in Berlijn bereid aan de ontwikkeling van een kwarttoonspiano te werken. In 1923 moest Wyschnegradsky echter weer naar Frankrijk terugkeren, terwijl het initiatief van Grotrian-Steinweg op niets uitliep. Uiteindelijk in 1928 zou de firma Förster in samenwerking met Hába een kwarttoonspiano bouwen. Het bezat drie klavieren: de laagste en de hoogste volgens normale toonhoogte, de middelste een kwarttoon verstemd. In 1929 komt Wyschnegradsky in Parijs ook in het bezit van zo'n instrument. Ondanks de beschikbaarheid van de kwarttoonspiano bleef hij echer al zijn werken voor piano in het kwarttoonssysteem schrijven voor een uitvoering op twee piano's, een keuze vermoedelijk ingegeven door de ruimere uitvoeringsmogelijkheden die hierdoor ontstaan.
Dan ontmoet hij Lucille Markoff, zijn toekomstige (tweede) vrouw. In 1932 publiceert hij Manuel d'harmonie ŕ quarts de ton en schrijft diverse kwarttoonswerken. In 1937 ontmoet hij Olivier Messiaen en later ook Henri Dutilleux en Claude Ballif. Het eerste concert van zijn muziek werd ook in dat jaar in Parijs gegeven. Hij had plannen voor een jaarlijks terugkerend kwarttoon-muziekfestival, maar die werden door de Tweede Wereldoorlog, ziekte en verblijf in een sanatorium doorkruist. In de rest van zijn leven schrijft hij enkele tientallen werken in het 1/4- en 1/6-toonssysteem, voor orkest, voor strijkkwartet, en incidenteel voor andere bezettingen.
Wyschnegradsky was een van belangrijkste pioniers van de kwarttoonsmuziek en heeft als componist en theoreticus een omvangrijk oeuvre achtergelaten. Hij baseerde zijn keuze voor het componeren met microtonen op zijn filosofisch ideaal van de pansonoriteit. Met dit begrip bedoelt hij een totaalklank, de klank van een oneindig aantal tonen die tegelijkertijd klinken in een oneindige klankruimte. Om praktische redenen koos Wyschnegradsky voor het 24-toonssysteem. Binnen dit systeem kan het ideaal van de pansonoriteit volgens Wyschnegradsky worden benaderd door clusters, gelijktijdig klinkende tonen met een maximale dichtheid: het gelijktijdig klinken van opeenvolgende kwarttonen. Bij twee verschillende piano's, onderling een kwarttoon verschillend gestemd wordt een kwarttooncluster gerealiseerd door per piano een semitooncluster te spelen die onderling op een kwarttoon afstand staan. De stapeling van hetzelfde interval groter dan een kwarttoon of een halve toon noemt Wyschnegradsky, ter onderscheiding van de cluster, een perfecte cyclus. Een imperfecte cyclus is een perfecte cyclus die wordt onderverdeeld met niet equidistante maar wel symmetrische intervallen.
Hier volgen enige voorbeelden, waarbij de intervallen worden uitgedrukt in het aantal kwarttonen: 22-22-22-22-22-22 enz: de stapeling van het groot septiem: de perfecte cyclus van Régime 11, type A (11 halve tonen = 22 kwarttonen). 11-11-11-11-11-11 enz: de stapeling van grote septiemen opgevuld met het interval van het halve septiem: 11+11 = 22. De perfecte cyclus van het Régime 11 verdeeld in twee gelijke delen. 6-5-6-5-6-5-6-5 enz: de imperfecte cyclus van het Régime 11, type A genoemd door Wyschnegradsky: het groot septiem word opgevuld met intervallen 6+5+6+5 = 22. Er is her geen sprake van equidistante opvulling, maar van symmetrie. Deze cyclus van 22 kwarttonen vervangt het octaaf door het interval van het groot septiem als terugkerend cyclisch gegeven. Dit is een kenmerk van de latere werken van Wyschnegradsky, waarvan Étude sur les Densités et les Volumes opus 39bis (1956) en Étude sur les mouvements rotatoires opus 54a (1961) voorbeelden zijn. In het laatstgenoemde werk worden meerdere soorten imperfecte cycli geďntroduceerd. Deze composities zijn een voorbeeld van wat Wyschnegradsky 'pantonaliteit' noemt: klanken of tonen worden niet in verband gebracht met een tooncentum, maar worden gerelateerd aan een bepaalde 'dichtheid' en een bepaald 'volume' via de besproken technieken. Een benadering van het 'pansonore' ideaal.

Professor Fokker, de oprichter van de stichting, correspondeerde met wetenschappers en musici over de hele wereld. Als hij een artikel las dat hem interesseerde, maakte hij aantekeningen in de kantlijn en schreef hij de auteur een brief vol kritische opmerkingen en vragen. Ook met Wyschnegradsky onderhield hij een levendige briefwisseling die grotendeels in het archief van de stichting bewaard is gebleven. De Étude Ultrachromatique schreef Wyschnegradsky in januari 1959. Op 15 maart 1959 schrijft hij aan prof. Fokker dat de etude is opgestuurd en dat het samen met een eerder 'essai' behoort tot zijn twee stukken voor 31-toonsorgel:

Deze etude is gerealiseerd volgens de algemene principes van de cyclische en expressieve harmonie, hoewel het stuk zelf, zoals u zult zien, welbeschouwd niet in een "expressieve stijl" is geschreven. [...] Het basisinterval is 28 diëzen groot, de grote septiem "douce" (tegenover de grote septiem "forte" van 29 diëzen). Ik gebruik de gelijke verdeling (twee maal 14 diëzen) én de ongelijke verdeling (13 + 15 diëzen). Deze laatste verdeling heeft als interessant kenmerk dat zij mij toestaat om progressief te "moduleren", dat wil zeggen voor de zijwaartse beweging (de term modulatie verschilt enigszins van de traditionele harmonie). [...] In deze etude is sprake van bitonaliteit, de linkerhand speelt in een andere positie (een andere toonsoort) dan de rechterhand. De baspartij is vrij toegevoegd.

Het tweede strijkkwartet van Wyschnegradsky is driedelig. Elk deel heeft als uitgangspunt een speciale reeks tonen uit de reeks van 24 kwarttonen met een specifieke intervalstructuur. Deel 1 (Allegro scherzando) heeft als basisreeks 20-12-19-11-18-10-11-12-13-7-6-12-1-0.
Deel 1 begint met deze reeks in de cello, en wordt herhaald, een octaaf hoger, in de altviool. Opvallend zijn de drie grote tertssprongen (dalend). In de reeks ligt opgesloten de stapeling van kleine tertsen: 18-12-6-0 en 19-13-7. Deze stapeling van kleine tertsen in de omvang van een tritonus of octaaf (of anderhalve tritonus: drie kleine tertsen) bepaalt de verticale structuur van de klanken. Daarvoor worden transposities van de uitgangsreeks ingevoerd, op onderlinge afstand van kleine tertsen. Als contrast zijn er solo-passages die de kwarttoonreeks laten klinken. Deel 1 eindigt met de toon as (12) drie maal geoctaveerd.
Deel II (Andante) heeft als uitgangsreeks de tonen 12+1-5+1-13-0+1-17-1-12. De reeks start in de eerste viool, en wordt 'geharmoniseerd' met transposities van deze reeks. De reeks heeft als opvallende intervalstructuur twee tritonussen: 12-0 en 0-12 die met een identieke intervalstructuur zijn 'opgevuld'. Opvallend zijn de sprongen van 11-, 7- en 16 kwarttonen (halve grote septiem, halve kwint en overmatige kwint). Ook hier wordt de reeks gebruikt als 'thema' en als 'harmonisatie' in verschillende transposities. Deel II eindigt met de klank 0-10-16-23-0 meerstemmig: tonen ontleend aan twee transposities van de reeks, waarmee het `thema' bi,j de aanvang van deel II werd geharmoniseerd.
Deel III (Allegro risoluto) heeft als 'thema' de reeks 0+1-0-1-2-8-15-14-0+1, een octaaf opgevuld, met onder andere de kleine tertsstapeling 2-8-14, omvattende een tritonus. De eerste en tweede viool brengen het 'thema' in het octaaf, waarna het thema wordt overgenomen door de andere instrumenten. Ook hier weer worden voor de harmonisatie en de melodie de reeks en zijn transposities gebruikt, met specifieke transposities op tonen die samen kleine tertsstapelingen vormen, met de omvang van een octaaf, of als stapelingen van kleine terts plus octaaf.
In deel III wordt de reeks uit deel I geciteerd. Ook wordt de reeks kanonisch gebracht, met inzetten op afstanden van gestapelde kleine tertsen, of de omkering daarvan (18 kwarttonen), dan wel met toegevoeg octaaf (30 kwarttonen), vierstemmig. In alle delen komen passages voor die aansluiten op de werkwijze van het eerste strijkkwartet: het plaatsen in de stemmen van segmenten uit de kwarttoonreeks. De stamtonen zijn nu niet gebaseerd op een verticaal segment van de kwarttoonreeks, maar op een van de drie genoemde speciale reeksen. De kleine tertsstapeling is eigen aan de reeksen van de delen I en III.
Deel II heeft wel een gestapelde tritonus, maar een andere opvulling. Het beeld van de symmetrie blijft bestaan: de deling van het octaaf in twee gelijke delen (tritonus) en de tertsstapelingen binnen het octaaf, die de tritonus in twee gelijke delen verdeelt. Deel II vormt daarin een contrast, maar niet wat symmetrie betreft: de reeks van deel II is symmetrisch: de halve octaven worden op dezelfde wijze met intervallen opgevuld. Deel II contrasteert ook met de nadere delen door zijn langzamer tempo.
Aan het slot van deel II is er een soort coda: elementen uit de reeksen van de delen I en II worden nog eens geciteerd. Door het gebruik van de verschillende reeksen en de transposities daarvan, horizontaal en verticaal, gelijktijdig, komt in het tweede strijkkwartet het gebruik van dubbelgrepen prominent naar voren. Hierdoor krijgt het strijkkwartet 4 tot 11 stemmen.

Wyschnegradsky in 1935
Wyschnegradsky in 1935 voor zijn kwarttoonpiano.

Literatuur

Franck Jedrzejewski (ed): La loi de la pansonorité biedt een overzicht van Wyschnegradsky's theorieën en filosofie. De inleiding is geschreven door Pascale Criton. Éditions Contrechamps, Genčve, 1996, 331 pagina's.

Muziek

De Étude Ultrachromatique, opus 42 (1959) staat op de CD 50 jaar Stichting Huygens-Fokker.