Leo de Vries

Leo de Vries (1924) studeerde viool aan het Haags Conservatorium bij Joachim Röntgen. Dankzij de theorielessen van Henk Badings en Martin Lürsen kwam hij in aanraking met het 31-toonssysteem. Van 1956 tot 1960 volgde hij compositielessen bij Jan van Dijk, in dezelfde periode ontmoette hij prof. Fokker. Hij nam deel aan een cursus twaalftoonstechniek van Wolfgang Hufschmidt, schreef een compositie in het dodecafonische systeem en componeerde vervolgens niet meer tussen 1968 en 1976 uit onvrede met het systeem. Tot 1985 werkte hij achtereenvolgens als violist bij de Groninger Orkest Vereniging en Rotterdams Philharmonisch orkest.

Vanaf 1977 ontwikkelde hij een kwarttoons-muziek vanuit de middentoontechniek. Voor het uitvoeren van deze muziek liet hij een speciale gitaar, en in 1980 een clavecimbel bouwen. Van 1980 tot 1988 publiceerde hij verschillende artikelen over microtonaliteit. Sinds 1984 is hij actief lid van de wereldwijde Music Modernisation Association. Hij is lid van de Rotterdamse microtonale groep.

In 1983 beschreef Leo de Vries in een artikel in Mens en Melodie drie toongeslachten in de kwarttoonsmuziek waarbij de toonladders, gaande naar de volgende transpositie, slechts één toon behoeven te veranderen. Sindsdien ontdekte hij dat dit doortransponerende principe op alle toonsystemen toegepast kan worden.

"De zeven stukken uit For 31-tone Organ zijn gecomponeerd in het 6/31 toongeslacht: de 6 staat voor de zesde toon (de supra-secunde). De gebruikte toonladder is elftonig en bestaat uit een opeenvolging van grote secundes en diëzen. In een dergelijke toonladder kan men naar believen bepaalde intervallen en accoorden benadrukken. In stuk 1 is dat de secunde-opvolging, met name in de onderstem, in stuk 2 zijn dat de harmonische septiemen, in 4 de nonen in de gebroken accoorden, in 5 de grote en kleine secundes, in 6 de tertsen in de onderstem en in 7 de harmonische septiemen. In stuk 3 heb ik mijn ritmische systeem DuTri toegepast: een ritme dat bestaat uit, zeer willekeurig verdeeld, noten met 2 en 3 pulsen. Deze lastige muziek heb ik opgedragen aan onze onvolprezen Fokkerorgel-bespeler Joop van Goozen."

In de toelichting bij een concert met zijn muziek op 5 februari 1989 in het Teylers Museum in Haarlem schrijft Leo de Vries over zichzelf:

Ik ben in 1924 te Wassenaar geboren als zoon van een kunstschilder en een kunstnijveraarster. In mijn jeugd was ik graag bezig met eigen gefabriceerde "gitaren" van met elastiekjes bespannen sigarenkistjes. Mijn wens was astronoom te worden, maar daarvoor was geen geld volgens het hoofd van de lagere school. Nadat mijn grootvader van moederszijde mij op mijn twaalfde jaar een echte viool uit zijn antiekzaak had bezorgd, kreeg ik regelmatig vioolles. Dit resulteerde, na het afleggen van mijn MULO-B examen, in een beroepsopleiding voor violist op het Haags Conservatorium bij Joachim Röntgen (van 1941 tot 1946), die naast het doornemen van het gebruikelijke pakket viooloefeningen, mijn belangstelling voor de toenmalige moderne muziek wist te stimuleren. Al spoedig kwam ik, door theorielessen van Henk Badings en Martin Lürsen, in aanraking met de principes van het 31-toonssysteem van Christiaan Huygens en Adriaan Fokker. Na mijn opleiding kreeg ik achtereenvolgens een aanstelling bij de Groninger Orkest Vereeniging en het Rotterdams Philharmonisch Orkest, tenwijl ik momenteel, sinds 1985, van de VUT-regeling geniet.
Tijdens de Groningse periode maakte ik mij de harmonische principes van Hindemith eigen door bestudering van zijn befaamde Unterweisung im Tonsatz, die gefundeerd is op een nieuwe ordening van de intervallen naar hun frequentieverhoudingen. In mijn Rotterdamse periode nam ik gedurende een paar jaar compositieles bij Jan van Dijk (van 1956 tot 1960; vooral fuga en instrumentatie). Resultaat was onder andere een ettelijke malen uitgevoerd Strijktrio voor twee violen en altviool. Ook bracht ik omstreeks het jaar 1960 met Jan van Dijk en enkele medestudenten een bezoek aan het Haarlemse 31-toonsorgel, waarbij we professor Fokker persoonlijk ontmoetten.
Naar aanleiding van een door de Vereniging voor Huismuziek bekroond Sextet voor drie blokfluiten en drie violen mocht ik naar een zomercursus van de Duitse kerkmuziekcomponist Siegfried Reda, die me daarna doorverwees naar de jongere compositiedocent Wolfgang Hufschmidt aan de Folkwang-Hochschule für Musik in Essen. Hufschmidt onderrichtte mij in de twaalftoonstechniek, hetgeen zijn neerslag heeft gevonden in mijn Lodeizen-liederen voor sopraan, fluit en altviool (1965), die rond 1966 door Koos Verheul, zijn echtgenote en Piet Feenstra te Den Haag werden uitgevoerd. (Mijn stukken met fluit zijn alle opgenomen in de Catalogus van Nederlandse Fluitmuziek door Frans Vester en Rien de Reede, uitgever Frits Knuf, Buren, 1988.) Op een eerdere confrontatie met de twaalftoonstechniek, begin zestiger jaren, had ik al gereageerd met geheel eigen experimenten in een consequent geïntegreerde bitonaliteit. Ook nu ik voor de tweede keer met de dodekafonie in aanraking was gekomen, kon ze me niet bevredigen, omdat ik inzag dat zij mijn harmonische ontwikkeling versperde. Van 1968 tot 1976 volgde dan ook een vrijwel componeerloze periode uit onvrede met de toen algemeen aanvaarde seriële techniek. Ondertussen (1968) was ik getrouwd met Dorothea Hoffmann, pedagoge moderne balletdans aan de Rotterdamse Dansacademie.
Ik was tot de overtuiging gekomen dat de serialiteit berustte op de heerschappij van het willekeurig getal, terwijl de muziek een verhoudingskunst is. Hoewel elke verhouding in getallen is uit te drukken, zijn deze getallen wiskundig bepaald; ze zijn dus volstrekt niet willekeurig. Bovendien, zo zou ik later merken, laten regelmatige verhoudingen zich in regelmatige figuren vastleggen (mijn tooncirkels).
In 1976 herontdekte ik mijn vroegere experimenten met verticale symmetrie, die mij als samenklank wel kon bevredigen. Ik verdeelde deze symmetrie in accoorden met en zonder middentoon. Pas een jaar later, in 1977, ontdekte ik dat de accoorden zonder middentoon een onbekende middentoon bezaten, namelijk een kwarttoon. Vanaf 1977 volgde dan de gestage ontwikkeling van mijn kwarttoonmuziek vanuit deze middentoontechniek. Omdat ik behoefte had aan een kwarttooninstrument met vaste tonen, om mij aan de kwarttoonintonatie te gewennen, liet ik in 1978 een gitaar met tussenfretjes voorzien. Daarnaast ontstonden mijn Elf kwarttoonstudies voor viool.
In 1980 kwam mijn, door Cornelis Bom te Schoonhoven vervaardigde, clavecimbel gereed, met een speciale kwarttoon-klaviatuur naar mijn ontwerp. Voor dit clavecimbel ontstond een reeks van Passacaglias en Studies, die per paar in hetzelfde toongeslacht gecomponeerd zijn. In de Passacaglia zocht ik de typerende harmonie van het bepaalde toongeslacht, terwijl ik de studie laat moduleren naar de verschillende toonsoorten binnen datzelfde toongeslacht.
Van 1980 tot 1988 verzorgde ik een reeks publikaties in Mens en Melodie over mijn microtoonbevindingen zoals het chromatisch clavier (1980), de chromatische notatie (1982) en mijn ontdekking van de kwarttooncirkels met de 'klassieke' of doortransponerende toongeslachten in het 24-toonssysteem analoog aan de kwintencirkel in het 12-toonssysteem.
Sinds 1984 ben ik actief lid van de wereldwijde organisatie voor notatievernieuwing, de Music Notation Modernization Association (MNMA), waarvoor ik op het eerste congres, dat in augustus 1988 in Norwich (Engeland) plaats vond, een lezing mocht houden en waar ik mijn, in mijn notatiesysteem gecomponeerde Twinline Fantasies voor viool ten doop hield.